Vorige Start Omhoog Volgende

EPILOOG

Inleiding

[Blz. 293]

In dit nawoord spreek ik niet meer strikt vanuit de gegevens van dit onderzoek. Nu het onderzoek en het verslag is afgerond, kijk ik vooruit en kijk ik wat verder om me heen. Ik start de discussie alvast op mijn eigen, soms prikkelende wijze.

In de eerste paragraaf opper ik enkele vermoedens -- niet meer dan dat -- die gegrond zijn op eigen ervaringen op die van anderen.

In de tweede paragraaf formuleer en verdedig ik enkele wensen over de richting die het vak orthopedagogiek, zowel in praktijk als in onderzoek, zou kunnen inslaan.

Het slotwoord formuleert die wensen nog eens in het kort en beëindigt het boek bijna zoals het begon.

Portretfoto door Kent

Par. 1. Verschuivende panelen

1. 'Maar onze kinderen...'

Het drieluik waarop de methodiek is samengevat (p 257) is het resultaat van een handelingsonderzoek bij een bepaalde populatie: elf leefgroepen van tehuizen, voornamelijk voor jeugdigen zonder extreme of zeer specifieke problematiek [(zie het overzicht op p 151)].

Op grond hiervan veronderstel ik dat dit drieluik in de meeste tehuizen bruikbaar is; echter niet in de vorm van' zo werken we voortaan' , maar als opstart van een serie gesprekken over een team- en populatie-eigen methodiek. Misschien is het wel beter om het drieluik vanaf rij (3), de werkwijze, leeg aan te bieden om zelf de eigen werkwijzen (en zo verder) te kunnen ontwikkelen aan de hand van de eigen verhalen over het omgaan met de eigen bewoners.

Om te beginnen hoor ik al mensen zeggen: 'Leuk, dat drieluik, maar ónze kinderen zijn daarvoor toch... te contactgestoord / te crimineel / te zwakbegaafd / te beschadigd / te ...'. Ik vermoed dat daarna gezegd wordt: 'Onze kinderen vragen toch meer structuur, dus dat linker luik moet toch wat groter of moet naar het midden toe.'

Ja, dat was nu precies wat aanvankelijk gedacht werd in de teams (en hun staf) die aanvankelijk het 'gedrag beheersen' centraal stelden, zie het lijstje op p 269 (en zie p 113). Toch hield deze redenering geen stand -- zie het vervolg van de tekst aldaar (en p 128).

Zeg dat dus niet te snel; onderzoek liever eerst op kritische wijze het werkelijke handelen van de groepsleiding, samen met hen. Dit alvorens met de panelen te gaan schuiven.

Ik vermoed dat bij kritisch en nauwgezet onderzoek wel eens het volgende zou kunnen blijken:

(1) de inhoud van de panelen kan per doelgroep enigszins variëren;

(2) de grootte van de panelen kan bij sommige doelgroepen anders uitvallen;

(3) de voorkeursvolgorde van de twee zijpanelen kan bij zeer specifieke doelgroepen verschuiven; maar...

(4) het middenpaneel, hoe smal en moeilijk in te vullen bij bepaalde tehuisbewoners, kan en dient centraal te blijven staan.

 

Vanuit ervaringen van mijzelf en anderen wil ik over enkele doelgroepen iets zeggen. Dit proefsgewijze, als start van een nadere discussie.

2. Andere problemen, andere panelen?

a. Zwakbegaafden

Ervaren groepsleiders uit deze sector herkenden de methodiek desgevraagd onmiddellijk. Meerderen zeiden mij dat zij niet anders werken en zullen werken dan ik beschrijf. Specifiek voor deze kinderen is dat zij zich snel angstig voelen en zich snel afgewezen voelen. Des te harder hebben zij contact met en acceptatie van hun schaduwkant nodig.[*1] Maar, volgens mijn zegslieden, lijkt er ook iets specifieks te zijn met 'de theorie uit het hoofdgebouw' van deze tehuizen. Daar werd vooral gesproken over structuur en regels, terwijl de groepsleiders zelf meer in termen van 'contact' dachten en spraken (vgl p 175).

 [*1] Vgl Gieles & Visser 1988 p 113-122 over een groep zwakbegaafde meisjes


[Blz. 294] 

 

"Zoals ik werk en jij schrijft, is eigenlijk strijdig met de officiële filosofie van de staf. Maar  daar trek ik me niet zo veel van aan. Ik werk zoals ik werk: ik ga in op het motief van gedrag en niet op het gedrag. En zolang mijn groep goed loopt, en die loopt best zo, heb ik van die staf ook geen last."

b. Zwakzinnigen

Mensen uit deze sector (waarin ik nooit gewerkt heb) herkenden het 'gedrag beheersen' al te zeer uit hun werkomgeving, maar dat was nu juist wat zij probeerden tegen te gaan. Het is  zo 'gemakkelijk' om mensen te beheersen die niet zo effectief in verzet kunnen gaan en hun gedrag als 'gezeur' af te doen. Dat is de weg van de minste weerstand, maar niet de juiste weg: zo demp je alleen maar, maar je wérkt niet met ze. Dat kan alleen via contact en dat is ook mogelijk.

Ik denk dat Jolanda Venema, de naakt vastgeketende zwakzinnige vrouw die in de publiciteit kwam in 1990, beslist geen tekort had aan' gedrag beheersen' -- verder dan zo kun je niet gaan -- maar een tekort aan 'persoon ontmoeten'.

Een nieuw team met een andere methodiek lukte het wel om haar te bereiken -- naar ik vermoed niet door meer 'gedrag beheersen', maar door meer 'persoon ontmoeten'. Wel zal in zo'n methodiek, vermoed ik, het linker paneel groter zijn, het rechter kleiner en het middenpaneel anders ingevuld.

c. Gedetineerden

De groepsleiders die worden opgeroepen als er 'onrust in de tent is', zijn niet 'de regelneven' , maar juist degenen die het beste contact hebben met de gedetineerden

Teambegeleiders klaagden dat juist die 'regelneven' zo remmend zijn voor de team- en methodiek-ontwikkeling .

Een tehuis als 'De Hunerberg' bijvoorbeeld (waar ik de staf enkele jaren begeleidde) geeft de jongens eerst het noodzakelijke STOPsignaalom de serie delicten te doorbreken. 'Gedrag beheersen' is dan het beginpunt, maar niet het enige doel of eindpunt. Dat is contact leggen en 'persoon ontmoeten', om de jongen te kunnen helpen zich opnieuw te oriënteren in de samenleving.

d. Begeleid kamerbewonen

Om jongeren te kunnen leren zelf hun eigen leven goed in te richten, geldt ook hier de voorwaarde dat er eerst contact gelegd dient te worden, de persoon te ontmoeten. Mede vanuit ervaringen met jongeren in mijn huis, meen ik dat het paneel 'conflict ontwijken' hier wat ruimer kan uitvallen; ze behoeven die ruimte.

e. De 'M.B.D.kinderen', de over-actieven, soms onder-actieven [*]

[*] MBD = Minimal Brain Disfunction, een lichte functiestoornos in de hersenen. [Tegenwoordig ADHD genoemd: Attention Deficit and Hyperactivity Disorder]

Op de een of andere manier kwam ik velen van hen tegen in mijn leven. Vanuit die ervaring stel ik niet het 'structuur bieden' centraal; dit staat terzijde. Deze kinderen botsen zo vaak per uur, dat je onmogelijk overal 'een punt van kunt maken'. 'Conflict ontwijken' is '.. niet te ontwijken' met hen.

Centraal staat voor mij: contact leggen ondanks tempoverschil. Met die methodiek voel ik mijzelf 'thuis' bij deze vaak zeer drukke kinderen en voelden zij zich 'thuis' bij mij: we konden zo een leefsituatie delen.

f. Hasjgebruikers

Uit ervaring kan ik melden dat het gebruiken op zich met hen nauwelijks bespreekbaar is; het staat voor hen niet ter discussie. Voorts, dat de intenties van deze jongeren altijd prachtig waren: mooie voornemens, maar altijd: 'morgen...'. Bij hen ga ik dus juist niet af op hun intenties, maar... op hun gedrag, op hun zichtbare doen en laten. Slechts daaruit concludeer ik wat hun handelen was of is. Maar, met een iets andere versnijding en invulling van de panelen van het drieluik, was contact-gericht werken met hen wel mogelijk, minstens bij momenten.

g. Heroďne-gebruikers

Dit is, vrees ik, de enige groep waarbij het 'persoon ontmoeten' niet meer centraal kán staan omdat de heroďne-roes voor hen belangrijker is geworden dan het contact met de medemensen; dat wordt instrumenteel ('je wordt gebruikt'). Het 'gedrag beheersen' is hier voorwaardelijk om ooit nog de personaliteit te kunnen herstellen -- als het al lukt.

[Blz. 295] 

h. Contact-armen

Het merendeel van de tehuisbewoners 'schreeuwt om contact', maar ieder kent ook wel de kinderen die de ervaring van contact niet lijken te kennen. Het zegt hen niets, doet hen niets; ze lijken er bang voor en ontwijken het. Het zijn de 'grijze' of de slechts profiterende kinderen. Ook ik ken ze. Hoe ik ook mijn best doe, er komt niet veel contact tot stand; ik ontmoet geen persoon, hooguit iemand die honger of dorst heeft, die plezier of gemak zoekt. Het middenpaneel is zodoende wel smal geworden, maar het blijft wel het middenpaneel. Soms kwam ik juist door conflicten met hen tot contact. Ik schreef reeds het vermoeden "dat alleen al het expliciet proberen contact te leggen al voldoende is voor een rudimentaire, maar toch vaak wel werkbare vorm van contact" (p 237). Hoe dat achteraf beleefd kan worden, lezen we bij Du Fossé: [*2]

[*2] De Fossé 192 p 130 cit 38

"Ik had geen contact met de leiding. De leiding heeft genoeg pogingen gedaan om met mij contact te krijgen. Het is net als met de telefoon, je draait een nummer, bij mij gaat de bel, maar ik neem niet op. En zo is het ook met dat contact gegaan."

i. Autistische kinderen

Contact leggen is nu juist hun zwakste punt. Misschien is er inderdaad eerst regulering nodig vanwege hun angst voor het onverwachte en hun voorkeur voor regelmaat tot stereotypie toe, maar slechts als hulpmiddel om te bereiken waar 't eigenlijk om gaat: het contactuele vermogen te wekken. Dat blijft centraal.

Ik las tot mijn verbazing in de krant (Tel. 27-4-'91) dat dolfijnen autistische kinderen uit hun isolement weten te halen. Dolfijnen beheersen geen gedrag, ze leggen contact door te gaan spatteren, plagen en duwen: ze spelen met de kinderen.

 

j. Grote groepen

In België bezocht ik regelmatig een paviljoen met drie groepen van elk zestien kinderen, gehuisvest in een zeer gehorig, koud en armoedig gebouwd paviljoen. Ik bracht daarin regelmatig 24 uur (of langer) aaneen door als observerend participant en extern begeleider. Er moest daar zeker wel enige regulering plaats vinden. Toch was er een uitgesproken warm en contact-rijk klimaat in dit paviljoen. Warmer bijvoorbeeld dan het klimaat in 'Het Huis in de Waterstraat' bij de start van het project in die groep; daar woonden maar zes kinderen in die tijd.

Janusz Korczak realiseerde met drie medewerkers een contact-rijk weeshuis voor 150 kinderen. Het zit 'm niet alleen in de groepsgrootte, het zit 'm vooral in de handelwijzen van het team, in de methodiek.

3. 'Persoon ontmoeten' blijft centraal staan

De orthopedagogische argumentatie voor het centraal stellen van het 'persoon ontmoeten , (zie p 271 e. v.) is mijns inziens geldig voor vele tehuisbewoners. Het middenpaneel kan wat smaller uitvallen, wat anders ingevuld worden; het dient m.i. wel centraal te blijven staan.

Ik vermoed dat een groep of tehuis waar het een beetje' goed loopt' , in feite ook zo werkt. In die zin kan de normatieve theorie (p 272 e.v.) ook een verklarende theorie zijn: het tehuis of de groep 'loopt goed' omdat men zo werkt als hier wordt aanbevolen... ook al wordt er 'in het hoofdgebouw' over andere zaken en in andere begrippen gesproken.

[Blz. 296]

Ten dele is dat ook terecht, omdat de hier gepresenteerde begrippen, theorie en methodiek (de hoofdstukken X en XI) niet minder, maar olok met meer aangeven dan de basis van het werk: het aanbieden en delen van een leefsituatie. Er is méér nodig, namelijk hulpverleningsmethodieken.

4. Hulpverlenings-methodieken

Als we de drie werkelijkheidsgebieden van Habermas (zie p 50 en 64) nog eens noemen als typen van menselijk handelen, dan kunnen we onderscheiden:

(1) kundig handelen in de objectieve werkelijkheid,

(2) gemeenzaam handelen in de sociale werkelijkheid en

(3) waarachtig of authentiek handelen in de subjectieve werkelijkheid.

 

Mensen dienen in hun jeugd drie typen handelingsbekwaamheid te verwerven. Met elk van die drie kan 't moeilijk gaan. Elk van de drie kan een hulpvraag vormen: 'Help mij of leer mij kundig / gemeenzaam / waarachtig te handelen.' Om nu iemand hierbij te helpen is,éérst dat gemeenzame handelen nodig. Dat is de voorwaarde om de andere typen handelen te kunnen leren.

De hier gepresenteerde begrippen, theorie en methodiek gaan over die basale vraag van elk (tehuis) kind. Op die basis is het mogelijk om iemand te helpen of te leren kundiger of waarachtiger te handelen. Zo zouden er, als bovenbouw op die basale methodiek, nog minstens twee  hulpverleningsmethoden te ontwikkelen zijn. Die zijn ook ontwikkeld.

Zo heeft bijvoorbeeld Slot [*3] in de 'Kursushuis-methodiek' het 'kundig leren handelen' uitgewerkt. Ik spreek dan het vermoeden uit dat die kursushuizen die een beetje' goed lopen', niet alleen die kursushuis-methodiek wordt uitgevoerd, maar dat de werkers daar zich ook in de hier beschreven methodiek zullen herkennen. Alleen schrijven Slot e.a. daar met over. Maar misschien zou het goed zijn om in de opleiding en de begeleiding van de kursushuis-ouders niet alleen die bovenbouw-methodiek aandacht te geven, maar ook de methodiek die hier verwoord is: die is de basis.

[*3] Bartels, Heiner, de Kruijf & Slot 1982; Slot 1981a en b; Slot 1984; Slot & Bartels 1981a en b; Slot & Bartels 1982; Slot, Bartels & Berger 1984; Slot 1988.

Omgekeerd zou het goed zijn om, na het formuleren van de basismethodiek, op vergelijkbare wijze handelingsonderzoek te doen naar hulpverleningsmethodieken.

Par. 2. De orthopedagogiek als handelingswetenschap

In dit onderzoek is een richting ingeslagen, en wel in twee opzichten: werk-inhoudelijk en methodologisch.

Werk-inhoudelijk

Op het niveau van de dagelijkse praktijk werd geconcludeerd dat het goed is om het 'gedrag beheersen' terzijde te schuiven, het 'conflict ontwijken' terzijde ruimte te bieden en het 'persoon ontmoeten' centraal te stellen. Er werd geconcludeerd dat 'contact leggen inclusief de schaduwkant' basaal is voor het residentiële werk. Dit doet men vooral door het kind de ruimte te bieden voor zijn eigen personalitelt en door te pogen adequaat met het kind te communiceren; in het bijzonder door open te staan voor wat het kind, ook in lastig doen en laten, te zeggen heeft en dit te respecteren en serieus te nemen. De aandacht gaat niet naar het gedrag, maar naar het handelen van het kind. Het kind werd gezien als persoon, als handelend wezen. 

Methodologisch

Centraal in dit onderzoek stond het verhaal van de groepsleider over diens handelen. Dat verhaal is aandachtig beluisterd, nauwgezet onderzocht en mét dezelfde groepsleider kritisch besproken. Niet het gedrag van de groepsleider werd gemeten, noch zijn meetbare kenmerken; er is niet gezocht naar bepalende factoren, er is gesproken met handelende actoren. Het gedragsonderzoek is verlaten, de richting van het handelingsonderzoek is i ingeslagen.

Het een hangt met het ander samen

Kritische auteurs leren ons dat 'gedrag beheersen' samenhangt met de uitgangspunten en de  methodologie van het gedragsonderzoek (doorgaans 'empirisch-analytisch onderzoek' genoemd, door mij 'gedrags- of positivistisch onderzoek' genoemd. zie p 27 en 39). [*4]

[*4] Met name Horkheimer (1937/'81), Marcuse (1970 o.a. p 14, 143 en 163), Adorno 1971 (zie Kunneman 1985 p 76-80), Habermas (zie literatuurlijst en Kunneman 1985), Haag (1972 p 13-17), Spiecker (1974 p 13 en 25 e.v.), Nijk (1974 p 12), Miedema 1983 en 1984.

Deze auteurs verdedigen de gedachte dat de positivistische wetenschap bedoeld is om de natuur te beheersen en daarvoor ook wel geschikt is. Wordt deze wetenschap gebruikt op het intermenselijke vlak, dan leidt dit vrijwel trefzeker tot een 'sociale' technologie waarmee mensen elkaar kunnen beheersen. Zulke wetenschap handhaaft de bestaande maatschappelijke machtsverhouding en is dus niet waardenvrij.

"Het vermogen om de natuurlijke werkelijkheid te beheersen betekent macht. Het vermogen om de menselijke werkelijkheid te beheersen betekent macht in het kwadraat. Een beoefening van de sociale wetenschap die niet van meet af aan gericht is op de spreiding van deze macht, op het ondervangen van de gevaren die zij zelf schept en in die zin op emancipatie, roept zeer grote vragen op" (Nijk 1974 p 12).

[Blz. 297]

Toegespitst op de orthopedagogiek en gesteld in termen van dit onderzoek, acht ik de volgende stellingen verdedigbaar, hierbij gesteund door diverse auteurs in ons vakgebied.

(1) Positivistisch onderzoek van gedrag leidt, op grond van de daarbij behorende visie en werkwijzen (zie p 27), tot theorie en methodiek die in de lijn van het' gedrag beheersen , liggen.

 

(2) 'Gedrag beheersen' dient op praktische, orthopedagogische en ethische gronden terzijde gesteld te worden en slechts zo nodig, tijdelijk en in versneden vorm gebruikt te worden. 'Persoon ontmoeten' daarentegen dient centraal te staan.

 

(3) Dus doet de orthopedagogiek er goed aan het positivistische onderzoeken van gedrag terzijde te stellen.

 

(4) Handelingsonderzoek heeft, in uitgangspunten en in werkwijzen, een dialogisch en emancipatoir karakter; de uitkomsten daarvan zullen liggen in de lijn van het 'persoon ontmoeten '.

 

(5) Dus doet de orthopedagogiek er goed aan het handelingsonderzoek centraal te stellen.

 

Concreter opper ik, aan de hand van enkele recente voorbeelden, enkele ideeën.

Onderzoek nu eens niet dé invloed van dé hond op dé ontwikkeling van hét kind (hoe die invloed is), maar onderzoek nu eens de handelingsmogelijkheden (onmogelijkheden, kansen, gevaren) die het houden van een hond de ouders zoal kán bieden (hoe het kan zijn en hoe dat gerealiseerd kan worden). Dit n.a.v. recente krantenartikelen over een lopend, langdurig en duur onderzoek.
.

Onderzoek niet het gedrag en de meetbare persoonskenmerken van pleegouders en pleegkinderen; onderzoek liever de handelingsmogelijkheden van pleegouders en hun begeleiders door hun verhaal aandachtig te beluisteren en met hen te bespreken. [*5]
.

Onderzoek niet het gedrag en de meetbare kenmerken van buitenlandse jongeren, maar onderzoek liever de handelingsmogelijkheden (onmogelijkheden, gevaren) om helpend met  hen om te gaan. [*6]
.

Onderzoek niet het gedrag en de meetbare kenmerken van gedetineerde druggebruikers, onderzoek liever hoe de inrichtingswerkers daarmee omgaan en om kunnen gaan. [*7]
.

Onderzoek botsingen en conflicten tussen ouders en kinderen in de dagelijkse leefsituatie niet door gedrag en meetbare persoonskenmerken van de ouders in een empirisch onderzoek te correleren met het gedrag en de meetbare persoonskenmerken van kinderen, maar door het handelen van de ouders te onderzoeken in een handelingsonderzoek.

Het eerste is gedaan in een recent verschenen onderzoeksverslag van Siebenheller (1990); het tweede is gedaan in dit onderzoek, al ging het hier om groepsleiders en tehuisbewoners.
Schoorl constateert in zijn recensie [*8] dat hier empirisch pedagogisch onderzoek is gedaan. Hij schrijft dan: "Hier en daar wordt door de auteur een poging gedaan om de pedagogiek als praktische wetenschap van dienst te zijn."
Hij citeert de auteur: "De gegevens wijzen uit dat bepaalde situaties bij bepaalde ouders aanleiding kunnen zijn tot heftige emotionele reacties. Inzicht in dit interactie-fenomeen zou mogelijk de effectiviteit van interventies kunnen bevorderen."
De recensent vervolgt dan met: "Naar mijn mening bestaat dit inzicht reeds bij praktisch werkzame hulpverleners en wel op een veel genuanceerder niveau dan het uit een onderzoek, naar wat gemiddeld het geval is in een grote groep van ouders, naar voren kan komen. Zo geeft dit onderzoek aanleiding om weer eens te denken over de kloof tussen wetenschappelijk onderzoek en alledaagse praktijk in de opvoeding."

[*5] Geboers, D., 1986a en b; Hesser,K.E. H. & Van Hout, A. 1989.
In beide projecten hebben verhalen van pleegouders resp. begeleiders centraal gestaan; ze zijn geanalyseerd met behulp van de zeven elementen van het handelen, net zoals dat hier is gedaan.

[*6] Hesser, K-E. H., 1984 en 1987.
In beide projecten zijn de zeven elementen van het handelen benut.

[*7] Stunnebrink, M.l. 1985.
In dit onderzoek zijn verhalen van groepsleiders geanalyseerd met behulp van de elementen van het handelen. Er bleken drie handelwijzen te worden aangetroffen. Deze zijn zeker vergelijkbaar met de in dit onderzoek op andere plekken aangetroffen handelwijzen. Ook het voorkeursadvies is zeer vergelijkbaar. Hier dus een voorbeeld van een iets andere invulling van het drieluik

[*8] Tijdschrift voor Orthopedagogiek april 1991; ik las nog niet het boek, ik ken slechts de recensie.

Aangezien dit onderzoek ook ging over botsingen en conflicten in de dagelijkse leefsituatie en ik hierbij een andere richting ben ingeslagen, die van het handelingsonderzoek, kan de lezer de proef op de som nemen en zelf vergelijken en oordelen welk type onderzoek de praktijk in dit geval de meeste diensten heeft bewezen.

Als het oordeel over het handelingsonderzoek gunstig uitvalt, dan kan terugverwezen worden naar de wetenschapstheoretische onderbouwing daarvan in hoofdstuk III en kan de stelling onderschreven worden dat de orthopedagogiek er goed aan doet het handelingsonderzoek centraal te stellen.

Vorige Start Omhoog Volgende