Start Omhoog

[< Vorige]     [Hoofdstuk II]      [Volgende >] 

Par. 3. De visie op de mens  

[Blz. 30]

1. De mens kan handelen dus persoon zijn

Typerend voor de mens is de mogelijkheid tot handelen en daardoor de mogelijkheid als persoon te leven. Mensen kunnen zich weliswaar gedragen volgens de wetten der natuur of de regels der samenleving, maar zijn ook in staat tot handelen, hun doen en laten in vrijheid te kiezen op grond van redenen en andere (ook irrationele) motieven. Daardoor kunnen mensen, ieder op unieke wijze, als persoon leven.

De mens kán niet alleen handelen, hij is er ook op aangewezen vanwege zijn grote kwetsbaarheid, welke ik als eerste kenmerk van de mens wil noemen. De mens kan overleven dankzij zijn handelingsvermogen. Naast een kwetsbaar wezen is de mens ook een handig en met verstand begaafd wezen, een wezen voor wie betekenissen niet vastliggen, maar dat zelf betekenis geeft aan de wereld en zich zo een eigen wereld, een cultuur kan scheppen. Dat kan de mens niet in z'n eentje doen, hij is ook een sociaal wezen dat aangewezen is op anderen, op communicatie en dialoog. 

Dat is vooral mogelijk door de taal, waarmee de mens de wereld kan benoemen, met medemensen kan communiceren én over zich zelf kan denken. De mens is een wezen dat zich bewust kan zijn van zichzelf, van zijn wil en zijn keuzemogelijkheden. De mens heeft in principe een vrije wil waarmee hij, meer of minder rationeel, kan kiezen binnen en op de grenzen van het mogelijke. Door deze keuzes die de mens vanaf zijn prilste jeugd maakt, kan hij leven als subject, zich een eigen biografie scheppen en, kan hij leven als persoon. Dat leven verloopt in onomkeerbare fasen. Menselijk leven is procesmatig, dynamisch en dialectisch, niet rechtlijnig en nooit vrij van aan het menszijn inherente spanningen.

Het is niet zo dat de mens altijd handelt en dat hij altijd als persoon optreedt. Essentieel voor het met de geboorte gekregen recht om als mens te worden aangesproken is niet het gedrag en zelfs niet het feitelijk handelen of persoon zijn, maar het kunnen handelen, het kunnen realiseren van personaliteit, het gekund hebben of zelfs de hoop dat het ooit een beetje zou kunnen.

Deze mensvisie reduceert het mensbeeld niet tot dat van de volwassen mens, van welk beeld de bejaarde nog maar een schaduw laat zien en tot welk beeld de kindertijd slechts een voorstadium is. Deze mensvisie is holistisch [*] in die zin dat zij kan gelden voor mensen van alle leeftijden. Ook datgene wat er bij jonge kinderen nog slechts in aanleg is, wat er bij demente bejaarden niet meer is of wat er bij ernstig gehandicapten misschien nooit zal zijn, dient in de benadering van hen als mens te worden betrokken. Het opnemen van het typisch kinderlijke in de mensvisie verrijkt deze aanzienlijk. Kinderlijke eigenschappen zijn niet strijdig met volwassenheid, hooguit met mythen omtrent volwassenheid.  

[*] D.w.z. het geheel als uitgangspunt nemend.

Deze mensvisie is niet descriptief, maar programmatisch of prescriptief: zij omschrijft de mogelijkheden die niet altijd feit zijn, maar die feit kunnen en behoren te worden. Deze mensvisie is dialectisch: zij bevat de spanning tussen 'zijn' en 'kunnen en behoren te zijn' en aanvaardt deze spanning als vruchtbaar en onontkoombaar.

In dit onderzoek is uitgegaan van bovengenoemde visie, die inhoudt dat wat mensen doen en laten niet bepaald hoeft te worden door factoren of door regels, maar, binnen óf buiten regelpatronen, gekozen kan worden door actoren. Dit impliceert de uitspraak die funderend is voor dit onderzoek:

mensen, in dit geval groepsleiders, tehuisbewoners en onderzoekers, kunnen zelf hun handelwijzen kiezen, hetgeen weer impliceert dat zij hun handelwijzen ook kunnen verbeteren.

[Blz. 31] 

Er staat hier niet dat groepsleiders en tehuisbewoners in feite altijd hun handelen kiezen; er staat dat zij dit kunnen kiezen en dat het onderzoek zich fundeert op deze mogelijkheid die er in principe is. Zeker bij botsingen en conflicten in het dagelijks leven kan het voorkomen dat er geen seconde tijd is (of genomen wordt) om een handelwijze te kiezen en dat er direct, impulsief, instinctief of in drift gereageerd wordt. Het 'kunnen kiezen' geldt hier achteraf: men kan achteraf de verantwoordelijkheid erkennen voor die snelle reactie, erover nadenken, ervan leren en het een volgende keer beter doen. 

Op die mogelijkheid, 'kunnen kiezen' en 'kunnen verbeteren' , is het onderzoek gebaseerd. De uitspraak dat mensen kunnen handelen laat onverlet dat zij zich ook (slechts) kunnen gedragen. Het onderzoek echter is qua opzet en inhoud gebaseerd op het eerste en niet op het laatste.

2. Enkele kernbegrippen omschreven

a. Handelen

Dit begrip is in dit onderzoek aldus omschreven:  

het verrichten dan wel het nalaten van doelgericht, op grond van tot op zekere hoogte rationeel gefundeerde kennis en normen gekozen daden en manieren van doen door personen die zich er verantwoordelijk voor weten.  

Voor het geheugen en voor het verslag kan een ingekorte omschrijving die in de zin van het bovenstaande begrepen dient te worden, wellicht handzaam zijn:  

Handelen is doelgericht en keuze-geleid doen en laten.  

Een' handelwijze' is:  

de daden en manieren van doen die in een bepaalde situatie gekozen zijn.  

b. Persoon

Dit begrip is in dit onderzoek aldus omschreven:  

een herkenbare individuele en unieke eenheid van menselijke lichamelijkheid, waarderen, willen, voelen en kennen, met alle rationele én irrationele kanten van dien, die zich door zijn eigen keuzes en handelingen een eigen biografie, dat is: een eigen verhaal over het eigen leven, schept.  

 

Dit persoonsbegrip is niet absoluut bedoeld, maar gradueel, d.w.z.: men kan het persoon-zijn in deze en/of gene aspecten, nu wel, dán niet, in meerdere of mindere mate waarmaken [*42]. Dit persoonsbegrip is holistisch in die zin dat niet alleen de doorgaans als volwassen begrepen vormen van personaliteit (bv. rationaliteit) erin vervat zijn, maar ook de doorgaans als kinderlijk begrepen vormen van personaliteit (bv. gevoel en irrationaliteit). Zowel kinderen als volwassenen kunnen zich meer of minder als persoon opstellen.

c. Gedrag

Dit begrip is in dit onderzoek aldus opgevat: [*43]

direct waarneembaar doen en laten, waarbij wordt aangenomen dat het verklaarbaar is door oorzaken en wetmatige verbanden, dan wel regels die het leiden, op te sporen.  

 

d. Gedrag en handelen

De omschrijvingen van,beide begrippen overlappen elkaar. Immers, een handeling kan ten dele direct waarneembaar zijn, terwijl direct waarneembaar doen en laten element van een handeling kan zijn.

[Blz. 32] 

 

Vak A vertegenwoordigt de niet direct waarneembare elementen van een handeling, de innerlijke elementen dus. 

Vak C vertegenwoordigt direct waarneembaar doen en laten dat géén element is van een handeling. 

Vak B vertegenwoordigt het doen en laten dat ik van een ander waarneem en dat ik kan interpreteren als handeling of als gedrag. 

 

Welke interpretatie de meest juiste is, hangt af van communicatie én van interpretatievoorkeur ofwel visie. Pas als ik met de ander in communicatie treed, kan ik de motieven en doelen vernemen. Ik dien dan te vragen naar de betekenis die de ander geeft aan zijn doen en laten. 

Deze betekenis-ontdekkende communicatie noem ik: dialoog, een kernbegrip in de handelingsvisie dat verderop omschreven zal worden. Maar dan nog blijft het een kwestie van interpretatie van wat ik waarneem, dus van visie. 

Een orthopedagoog kan verzet van een kind, dat door het kind bewust gepleegd wordt als doelgerichte en keuzegeleide daad (dus handeling) toch interpreteren als gedrag dat natuurwetmatig bij een bepaalde leeftijdsfase hoort of dat het beste vanuit het regelpatroon van dat kind verklaard kan worden.

De interpretatie kan ook door de actor zelf verschoven worden. Als een groepsleider zegt 'Mijn hand schoot uit' interpreteert hij de tik als gedrag waarvoor hij niet als persoon verantwoordelijk is. Maar in tweede instantie kan hij de verantwoordelijkheid ervoor op zich nemen en de daad herinterpreteren als handeling. De actor kan ook manipuleren met de interpretatie. Een kind dat aan tafel zijn best doet om een forse boer te laten om hilariteit te scheppen, kan zeggen 'Per ongeluk, juf! ' en zijn handeling als gedrag presenteren.

De begrippen 'handeling' en' gedrag' staan niet zozeer voor exacte omschrijvingen die aangeven wát iets is, als wel voor interpretatiekaders die aangeven hóe men iets ziet: als gedrag of als handeling. 

In de orthopedagogische praktijk speelt deze kwestie voortdurend. Daar immers komen we nu juist het taalzwakke kind, het anderstalige kind, het zwijgende of schreeuwende kind vaker tegen. In het materiaal van dit onderzoek lezen we over het in hevig conflict verwikkelde kind én zijn groepsleider die op of over de grenzen van zijn kwaadheid zit. Van hen kun je nooit zeker weten of zij handelen of zich slechts gedragen. Zij kunnen handelen, maar omdat zij niet (duidelijk) spreken weten we dat niet zeker, hun handelingen kunnen voor ons"onbegrijpelijk zijn. 

Toch reduceer ik 'handelen' niet tot 'begrepen handelen', zoals Van den BeId doet; hij sluit "onmondige kinderen en imbecielen" uit in zijn handelingsdefinitie (1982 p. 1). Als ik iets niet als handeling begrijp, kan dat voor de ander best een handeling zijn. 

Essentieel voor de orthopedagogiek acht ik de bereidheid om het doen en laten van medemensen primair te interpreteren als handeling, ook al begrijp ik 'm nog niet als zodanig [*44]. 

Anders gezegd: ik wil niet alleen de volwassene, maar ook het kind zien als een handelend wezen, een persoon. Zo is de visie in het handelingsmodel. Aan het kind als handelend wezen, als persoon, wordt de volgende subparagraaf gewijd. Voordien dient nog het begrip te worden omschreven dat van belang is bij het kunnen zien van handelingen als handeling, namelijk 'dialoog'.  

[Blz. 33] 

e. Dialoog 

Dit begrip is in dit onderzoek aldus omschreven [*45]:  

de reflecterende, betekenis-ontdekkende communicatie tussen personen of tussen persoon en wereld.  

3. Over kinderen

De hierboven beschreven visie betreft de mens: kind, volwassene, bejaarde. Er zijn wel verschillen tussen de levensfasen, maar deze zijn gradueel en niet essentieel [*46].

Dat kinderen kwetsbaar zijn wordt algemeen erkend. Minder wordt erkend dat volwassenen ook kwetsbaar zijn [*47] en dat kinderen ook handelingsvermogen hebben. Zeer jonge kinderen zie ik doelgericht en keuze-geleid met de dingen omgaan: ik zie ze handelen. Ze denken na, ze hebben en gebruiken kennis en leren in een zeer hoog tempo [*48]. Kinderen geven actief betekenis aan de wereld, fantasierijker dan volwassenen. Ze treffen een cultuur aan, maar maken daarin eigen keuzes; oudere jeugd schept een jeugdcultuur die wel anders is dan die der volwassenen, maar daarom nog niet 'onvolwassen' genoemd hoeft te worden [*49]. 

Kinderen zijn actieve partners in de communicatie met anderen. Ze zijn niet alleen, net als volwassenen, aangewezen op communicatie en dialoog, ze zijn er ook toe bereid en in staat. Een kind is geen tabula rasa (onbeschreven blad) of een bonk klei, noch een plant die volgens ingeboren programma opgroeit. Een kind kiest zelf uit wat hij ontmoet en uit wat hem in aanleg is gegeven [*50]. Kinderen kunnen verantwoordelijkheid dragen als ze er maar de kans toe krijgen [*51] en niet bij voorbaat als handelingsonbekwaam worden behandeld.

Een kind zie ik niet als persoon in wording die nog tot persoon moet worden opgevoed, maar als persoon in eerste stadium van ontwikkeling, welke ontwikkeling als persoon door opvoeding bevorderd óf afgeremd kan worden. Mensen die een kind niet als persoon zien hanteren een persoonsbegrip waarin de kinderlijke vormen van personaliteit zijn weggelaten en een kindbegrip waaruit personaliteitsaspecten zijn weggelaten. Het gaat er bij mij niet om hoe oud iemand is, maar in hoeverre en in welke aspecten iemand personaliteit realiseert en dat kan ieder, jong of oud. Wie dit niet realiseert, dient toch op het vermogen tot personaliteit te worden aangesproken [*52].

Met de groei van bewustzijn en met behulp van de taal is mondigheid en vrijheid van wil ook voor kinderen een mogelijkheid. Of het kind die vrijheid ook krijgt of neemt is vraag twee. Sommige opvoeders en opvoedkundigen ontkennen de vrije wil van kinderen als mogelijkheid en geven die vrije wil dan ook geen kans. Zo maken zij hun eigen kindvisie waar, als zou een kind slechts een willoos object zijn, "louter materiaal in handen van de opvoeder." [*53]

Andere opvoeders en opvoedkundigen erkennen de vrije wil van het kind wel en handelen daar ook naar. "Het kind is als mens zelf een vrij wezen, een subject en geen willoos object van beďnvloeding" (Meijer 1984a p 63 over Bollnows ideeën); het is een 

"subject dat niet alleen reageert, zoals de conditioneerders geloven, maar distantieert en (...) kiest, positie bepaalt, initieert en, eigen wegen gaande, eigen nieuwe verwezenlijkt" (Langeveld 1975 p 158).

Voor de orthopedagogische praktijk en theorievorming maakt het veel uit of men van de eerstgenoemde dan wel van de laatstgenoemde opvatting uitgaat. Een kindvisie kan een voorspelling zijn die zichzelf waar maakt. Juist het onvrij gehouden kind loopt het gevaar "gemangeld te worden als men het neemt voor wat zekere theorieën zeggen dat het is" (Imelman 1984 p 9 en 10). 

Juist bij conflicten koffit de vraag naar de vrije wil en de zelfbepaling van kinderen aan de orde. Kinderen kunnen hun vrijheid hernemen door in verzet te gaan, het conflict aan te gaan. Volwassenen kunnen daar tegenin gaan en dan is het conflict al volop gaande. Wie de vrije wil principieel ontkent zal anders naar het zelfde onderzoeksmateriaal kijken dan wie deze principieel erkent. Dit laatste doe ik; ik zie de vrije wil zelfs als de kern van de mens, ongeacht diens leeftijd. Ik vind ook dat aan kinderen meer zelfbepalingsrecht toekomt dan nu gebruikelijk is. Met deze bril op is het onderzoeksmateriaal bekeken. Waarvan tevoren acte.  

[Blz. 35] 

4. Over tehuiskinderen

In het voorgaande stond steeds "het kind" en niet "het kind, uitgezonderd de kinderen in tehuizen." Deze verschillen niet wezenlijk van in een gezin wonende kinderen, hun situatie verschilt en hun levensverhaal bevat veelal meer ervaring. Ze leven vaak intenser dan gezinskinderen. De ontmoeting met hen kan ook intenser zijn. 

[Blz. 34]

Ik ontmoette vele van hen en zij lieten mij zien: diepe haat en intense liefde, felle woede en hevige blijheid, doffe wanhoop en ijzersterke hoop, extreme orde en fikse chaos, grote openheid (meestal) en stugge geslotenheid (zelden). Als individu lieten ze wel eens een eenzijdig beeld zien van wat een mens kan zijn, tesamen lieten ze een breed en rijk geschakeerd mensbeeld zien, dat mijn horizon verbreed heeft. Het eventueel opvallende of ongewone in hun doen en laten zie ik als rijkdom aan unieke schakering en mogelijkheden, niet als een stoornis.  

Als ik een tehuis binnen kom dan zie ik, in mijn optiek, iets anders dan Trieschman e.a. (1980 o.a. p 22) zien. Zij zien, in hun optiek, onaangepast, onnuttig, chaotisch, niet bij de leeftijd passend gedrag. Ik zie kinderen vechten voor hun eigenheid, ik zie hen zinvol handelen, ik bewonder hun kracht en hun rijkdom aan gevoel. 

Portretfoto door kent

 

Ik zie iets anders dan AdIer. Hij ziet tehuiskinderen als "onaangepast, emotioneel gestoord, angstig, onrijp, wantrouwend" (1971 p 209). 

Ik zie iets anders dan Smis; hij ziet "probleemgedrag" dat "vrij massaal verschijnt" (1977b p 452), "gestoorde relatie- en interactiepatronen", het zoeken van "onecht en excessief lichamelijk contact" (p 453), "een te weinig open en echte wijze" van beleven van de aanwezigheid van de volwassene, het achterwege blijven van mededeelzaamheid over persoonlijke aangelegenheden (p 454) ...en zo gaat hij maar door. Zijn boek van 1980 laat (evenals artikelen 1977a en 1978) dezelfde visie zien.

 Het lijkt mij logisch en verstandig van deze kinderen om aan iemand met zo'n kindvisie geen persoonlijke mededelingen te doen. Smis ziet ze immers niet als persoon, hij ziet slechts "een niet te miskennen uitzicht op de pathologie" (1977b p 454) en hij schetst het tehuis als "een leeuwenkuil." Hij ziet "weinig positieve aanspreekbaarheid", "chaotisch roepen, herrie schoppen en vechten" (p 455). Smis schrijft dan: "Wie niet een tijd bij deze kinderen leefde, ontkomt niet aan de indruk dat onze beschrijving grof overdreven is" (p 455).

Ik werkte zeventien jaar intensief met tehuiskinderen in tehuizen voor ('zeer intensieve') behandeling, ik heb er in de loop van de tijd met een kleine twintig als bewoners in mijn eigen huis geleefd, ik had er velen als trouwe bezoeker of (weekend)logé in huis en ik zie iets anders dan Smis. 

Mijn visie is namelijk anders en deze visie is juist in de praktijk ontstaan. Smis zegt dan wel dat hij zich in zijn beschrijving tot het essentiële beperkt heeft, maar het hangt nu net van je visie af wat je essentieel noemt en zelfs wat je wel of niet ziet. 

Smis ziet pathologisch gedrag, ik zie kinderen, handelende mensen, personen als ik. Smis ziet het lichamelijk contact zoeken als "onecht en excessief', ik zie dit contact als zinvolle communicatie en voel de hoogst persoonlijke boodschappen die ze me zo overbrengen. Smis ziet het lastige gedrag als het essentiële, ik niet. 

Tehuiskinderen mogen wel eens lastig zijn, gezinskinderen, opvoeders en onderzoekers zijn dat ook wel eens. Als je mij vraagt wat ik het essentiële vind, dan noem ik de maatschappelijke positie waarin tehuiskinderen verkeren als essentiëler dan hun eventueel lastige doen en laten. Afwijkend gedrag is een secundair probleem, te wijten aan het feit dat het kind zijn eigen innerlijke logica, zijn eigen levensontwerp, zijn wil niet kon volgen omdat de volwassenen dwingend ingrepen op een manier die niet paste bij de eigenheid, het persoon zijn van het kinds. Met deze visie is het onderzoeksmateriaal, verhalen over conflicten, bekeken.

In deze paragraaf is de visie die dit onderzoek fundeert expliciet aangegeven. Het is de handelingsvisie die volwássene én kind als handelend wezen beschouwt en die in het schema van p 28 praktijkmodel IV en visiemodel C is genoemd. 

 

In de volgende paragraaf zullen de consequenties voor de orthopedagogiek als handelingswetenschap aan de orde komen.  

 

[< Vorige]     [Hoofdstuk II]      [Volgende >]

Start Omhoog