Vorige Start Omhoog Volgende

[Naar de literatuurlijst]        [Lijst van vreemde woorden] 

Par. I. Plaatsbepaling

1. Geschiedenis en terminologie

De term 'action research' verschijnt voor het eerst bij Kurt Lewin en staat dan voor 

"een vergelijkend onderzoek van de voorwaarden en uitwerkingen van verschillende manieren van sociaal handelen, dat tot sociaal handelen leidt" (1953 p 280). 

Dit type onderzoek wil uit handelingservaring kennis ontwikkelen, welke kennis het praktische handelen uiteindelijk kan verbeteren. Die kennis en die verbetering worden bereikt in een spiraalvormig proces van planning, actie en evaluatie, gevolgd door nieuwe planning, actie en evaluatie, enzovoorts.

De beoogde kennis is niet primair algemeen van aard, maar gebonden aan bepaalde situaties of problemen. Het achterliggende doel is emancipatie en democratisering. Onderzoeker(s) en betrokkenen werken samen in groepsverband en in het werkveld. Groepsdiscussies en , -besluiten sturen het leerproces, geholpen door evaluatiemethoden! [*7]

[*7] Bronnen: Lewin 1947 en 1953; Rapoport 1970; Foster 1972; Warren 1973; Moser 1977b en 1978; v Dijkurn 1980 en Doets 1981.
De literatuur noemt naast Lewin ook Clark en andere namen uit de Gestaltbeweging als opstarters van het handelingsonderzoek.

Hoewel in Lewin's action research elementen zijn aan te treffen die afwijken van het gebruikelijke positivistische onderzoek, heeft men toch binnen deze traditie willen werken en geen eigen methodologie en wetenschapsvisie ontwikkeld. Wellicht mede door die afwijkingen van het gebruikelijke namen de gevestigde methodologen de action research niet helemaal serieus. De beweging bloedde enigszins dood. Ook het emancipatorische elan nam nogal af; mogelijk onder invloed van het harmonieuze Gestalt-ideaal kwam men toch dicht in de buurt van hechte samenwerking met (bijvoorbeeld) werkgevers en aanpassing in plaats van emancipatie van arbeiders. [*8]

[*8] Bronnen: Moser 1978 p 47 e.v.; Wardekker 1978 p 41 e.v.; v Dijkum 1980 p 8; Becker 1970.  

In de jaren zeventig werd in West-Duitsland de draad opgepakt. Studenten protesteerden tegen de onpraktische en eenzijdige theorie die zij kregen aangeleerd. Zij kritiseerden het type wetenschap dat gangbaar was en gingen zelf het werkveld in: naar de socialistische crèches en de arbeidersscholen om de praktijk te verbeteren (Moser 1978 p 31 e.v.). De verschijning van het boek van Haag e.a. in 1972 markeert de her-opkomst van dit type onderzoek; het bundelt ervaringen en zoekt naar een eigen methodologie, aanvankelijk door bezwaren tegen het positivistische onderzoek te formuleren.

Haag e.a. haken aan bij Lewin's ideeën en bij de ervaringen van innovatieonderzoek, vooral in het onderwijs. De onderzoeker begeeft zich in het veld, werkt samen met de betrokkenen aan door hen gewenste veranderingen, met behulp van met hen verzamelde gegevens. [*9]

 [*9] Haag e.a. 1972. waarin mn Klüger & Krüver; Moser 1978 p 54 e.v.; Miedema 1984 p 133; Wardekker 1918; v Dijkurn 1980; Doets 1981 p 14; Panhuysen & Verbij 1979.

In de pedagogiek propageren o.a. Klafki (1973 / '75 en 1974) en Mollenhauer & Rittelmeyer (1975) actieonderzoek als methode om praktische problemen op te lossen en om een praktische pedagogiek te genereren. Zij betrekken het (onderwijs)innovatieproces zelf in het onderzoek. Zij sluiten aan bij Erich Weniger die ook streefde naar praktische theorie 

"die haar begrippen opbouwt in nauwe relatie met de praktijk en bovendien de verantwoordelijkheid voor de vernieuwing in zichzelf opneemt" (Riddersma 1983 p 74 & 75).

 [Blz. 41]

Zij konden aansluiten bij de Duitse traditie van geesteswetenschappelijke pedagogiek met haar hermeneutische methoden. Toch blijven de tot nu toe genoemde auteurs wel andere onderzoeksmethoden zoeken, maar eigenlijk nog binnen de positivistische wetenschapsopvatting. [*10]

[*10]  Klafki 1973; Mollenhauer & Rittelmeyer 1975; Haeberlin 1975 p 664; Heinze e.a. 1975; Moser 1978; Wardekker 1978; Westerhof e.a. 1983; v Dijkum 1980; v Dijkum e.a. 1981 p 11 e.v.; Riddersma 1983.

Gaandeweg groeit de twijfel aan de positivistische uitgangspunten en worden deze ter discussie gesteld. Met name Heinze e.a. (1975) doen dit. Zij zoeken niet alleen op het niveau van de methodologie naar nieuwe werkwijzen, maar ook op het niveau van de wetenschapstheorie naar andere uitgangspunten ter legitimatie van hun methodologie. [*11]

[*11] Heinze noemt als inspiratiebronnen hiervoor: Dilthey, Husserl, Schütz, Douglas, Garfinkel, G.H. Mead, Strauss, Goffman, Blumer, Adorno en Habermas (1975 p 20 en 229). Blankerz & Gruschka (1975) schrijven in overeenkomstige zin.

Het is vooraI Moser geweest die de gaandeweg ontwikkelde methoden van actie- of handelingsonderzoek onderbouwd heeft met een eigen wetenschapsopvatting, een paradigma, hierbij vooral geholpen door de Kritische Theorie van de Frankfurter School (Moser 1978). Op de inhoud van zijn ideeën zaI nog worden teruggekomen.

In Nederland bleef deze ontwikkeling niet onopgemerkt. Onder een veelheid aan benamingen is gezocht naar vormen van onderzoek die praktische theorie kunnen opleveren:

Schema III1. Praktijkgericht onderzoek   [Naar de literatuurlijst]

Naam

Auteur (onder andere)

Sociale planwetenschap Beekman 1972
Beslissingsgericht onderzoek  Zwart, 1972 
Dienstbaar onderzoek De Vries, 1973 en 1975
Problem Solving Research Röling 1974
Procesbegeleidend onderzoek De Vries 1975
Methodologie van het praktijkdenken Van Strien 1975, 1984
Preperatief onderzoek De Zeeuw, 1975 en 1976
Praktijkonderzoek Groen 1976; Huis in 't veld 1975, 1979; Koning & Pijnenburg, 1980  
Veranderen door onderzoek De Hoog e.a. 1980
Aktieonderzoek Van Dijkurn 1980; Van Dijkum e.a.1981
Exemplarisch praktijkonderzoek Doets, 1981 
Bruikbaar onderzoek Rink & Rijkeboer, 1983
Handelingsonderzoek Imelman, 1983a; Koning & Pijnenburg 1980; Miedema 1984; Imelman & Mejer 1985; Imelman e.a. 1981; de Visser 1977, 1980. 

Miedema geeft een overzicht van verricht pedagogisch handelingsonderzoek in Nederland (1984 p 139 e.v.).

Wat al deze termen en methoden verbindt is de poging om samen met praktijkwerkers praktische theorie te ontwikkelen. De veelheid van termen maakt het noodzakelijk een keuze te maken voor een term die de plaats van dit type onderzoek duidelijk aangeeft.

[Blz. 42] 

2. Plaatsbepaling

Koning & Pijnenburg (1980 p 150) doen een voorstel voor een terminologie, waar ik me bij  aan wil sluiten. Zij stellen de term 'praktijkonderzoek' voor als overkoepelende term voor onderzoek dat samen met praktijkwerkers plaats vindt. Binnen het praktijkonderzoek onderscheiden zij twee vormen:

"Wil men praktijkonderzoek doen en gaat men daarbij uit van een empirisch-analytische kennisopvatting, dan impliceert dit een keuze voor het actieonderzoek. De onderzoeker neemt een objectiverende houding aan, kennis bestaat uit zinvolle uitspraken over wetmatige relaties en wordt direkt toegepast ten gunste van een verbetering van het handelen van praktijkwerkers.
Wil men praktijkonderzoek doen en gaat men daarbij uit van een hermeneutisch-dialectische kennisopvatting, dan impliceert dit een keuze voor het  handelingsonderzoek. De onderzoeker heeft een subjectiverende houding, kennis bestaat uit een systematische interpretatie van een unieke situatie -- waarmee tevens een meer doelgerichte ontwikkeling op gang komt van het handelen der praktijkwerkers in die situatie." 

Dit voorstel sluit aan bij de geschetste geschiedenis: 'actieonderzoek' verwijst naar 'action research' van Lewin, die immers binnen de positivistische traditie verkoos te werken. De term 'handelingsonderzoek' sluit aan bij degenen die voorstellen om 'handelen' als sleutelbegrip voor pedagogisch en agologisch onderzoek te gebruiken. [*12]

[*12]  Een consequentie van deze naamkeuze is dat ik Moser's 'Aktionsforschung' hier met 'handelingsonderzoek' vertaald heb omdat juist hij uit de positivistische traditie stapte.

Met het voorstel van Koning & Pijnenburg is onderzoek en dus methodologie ingedeeld naar een criterium, namelijk de funderende visie op mens en wetenschap. Deze visies zijn hier genoemd: de gedragsvisie en de handelingsvisie, zoals omschreven in hoofdstuk II met name op p 27.

Er is een tweede criterium om onderzoek en methodologie in te delen, namelijk het type vraagstelling. Ik onderscheid twee typen vragen die elk om een eigen type onderzoek vragen.

Het eerste type vraag is: hoe kan ik de werkelijkheid verklaren of begrijpen?
Daartoe opper ik een gedachte, vervolgens toets ik die aan de werkelijkheid. Als dit systematisch en controleerbaar gebeurt wordt er wetenschappelijk onderzoek verricht.

Het tweede type vraag is: hoe kan ik de werkelijkheid veranderen?
Daartoe stel ik een daad en kijk dan of er iets veranderd is. Als dit systematisch en controleerbaar gebeurt, wordt er wetenschappelijk onderzoek verricht. [*13]

 

[*13] Stevens 1987 p 120.

Combineren we nu de beide criteria, visie en vraagtype, dan zijn er vier typen onderzoek te onderscheiden en zijn er vier typen methodologie.

Schema III 2. Vier typen methodologie

 Vraagtype 

  Visie

Hoe kan ik dit verklaren of begrijpen? 

Hoe kan ik dit veranderen? (praktijk-onderzoek)

Gedragsvisie

A
Verklarend onderzoek
B
Actieonderzoek

Handelingsvisie

C
Begrijpend onderzoek
D
Handelingsonderzoek

Het volgende moge opgemerkt worden. Sinds 1961 is er een Nederlandstalige 'Methodologie' beschikbaar, het boek van De Groot. Daarin wordt de weg van het verklarend onderzoek systematisch beschreven, uitgaande van de gedragsvisie. Dit boek dat een groot gezag heeft verworven, is in het kader van het bovenstaande echter niet DE methodologie van HET wetenschappelijk onderzoek, maar een handboek voor een van de vier mogelijke typen methodologie: type A.

 

[Blz. 43] 

Het onderstaande zal dus afwijken van dit standaardwerk in twee opzichten:

er wordt hier uitgegaan van een andere visie en

er is een andere vraag aan de orde.

 

Er verschijnt dus een andere methodologie. Dat sluit niet uit dat methoden uit het ene type ook bruikbaar kunnen zijn in andere typen, echter wel binnen het eigen kader.

[Naar de literatuurlijst]        [Lijst van vreemde woorden]

Vorige Start Omhoog Volgende