Start Omhoog

 

LIJST VAN VREEMDE WOORDEN EN VAKTERMEN

[en afkortingen]

 

 A    B    C    D    G    H    I    M    N    O    P    R    S    V

A

 

Abstraheren:

onderbrengen in meer omvattende begrippen. Een voorbeeld hiervan is gegeven in de schema's V 4,5 en 6 op p 121 en 122.

Actor:

degene die een handeling verricht. Adequaat: passend voor die situatie.

Agoog, agogiek:

de wetenschap en de kunde om mensen te helpen en te vormen. Analyseren: in het algemeen: in delen ontleden om het geheel te begrijpen; hier is vooral gedoeld op het analyseren van de logboekverhalen van de groepsleiding, op het inzichtelijk maken van die verhalen, het zoeken naar patronen erin en het zoeken naar de kern waar het om gaat.

Andragologie, andragogiek:

de wetenschap en de kunde om mensen te helpen en te vormen.

Autonomie:

zelfbeschikking, zelfstandigheid, eigen baas zijn.

B

 

Behavioristisch:

het Behaviorisme is de stroming in de psychologie die' gedrag' als centraal begrip kiest en met name het aan- en afleren van gedrag onderzoekt. Zie p 27, schema II 1.

C

 

Casu:

'in casu' wil zeggen: 'in dit geval'.

Causaal:

oorzakelijk.

Coderen:

het onderzoeksmateriaal voorzien van steekwoorden of begrippen (soms uitgedrukt in getallen), waardoor het materiaal op een zinvolle manier wordt ingedeeld -- Zie de voorbeelden op p 87 e. v.

Cognitief:

betrekking hebbend op het (leren) kennen, op het verstand- Conform: overeenkomstig.

Consensus:

overeenstemming.

Cruciaal:

van doorslaggevend belang

Cyclisch:

cirkel- of spiraalvormig.

Cyclus:

een terugkerende reeks.

D

 

Deductief:

een deductief opgezet onderzoek begint met een theorie en toetst die theorie vervolgens aan de feiten. Zie: inductief.

Descriptief:

beschrijvend; een descriptieve theorie beschrijft de werkelijkheid zoals die is.
Vergelijk: prescriptief.

Dialectisch:

dialectiek is een manier van denken en redeneren, die uitgaat van het bestaan van tegenstellingen en die deze tegenstellingen ook accepteert. Iets kan waar zijn (in het ene opzicht) ťn onwaar (in het andere opzicht). De mens is vrij ťn onvrij. Met name gaat het om de tegenstelling tussen hoe de werkelijkheid is en hoe deze zou kunnen en behoren te zijn. Zie p 45 en 64.

Dialoog:

gesprek (of andere vorm van uitwisseling), met name tussen mensen, waarin men zoekt naar wat de werkelijkheid of de situatie voor de ander betekent; waarin men dus oog heeft voor het innerlijk van de ander. In een dialoog zijn de gesprekspartners gelijkwaardig. Zie p 33 en 44.

Discours:

zie p 64.

Distantie:

afstand; met name die tussen opvoeder en kind.

e.a. :

en anderen.

e.v.:

en verder.

Emancipatoir:

emancipatie nastrevend, gelijkberechtiging nastrevend. Hier wordt met name gedoeld op het (zich) emanciperen van de tehuisjongeren.

Eminent:

uitmuntend, bijzonder.

Empirisch-analytisch:

'empirie' is: 'ervaring' of 'ervaren feiten'. Met 'empirisch-analytisch' wordt een stroming in de wetenschap aangeduid, waarin men uit wil gaan van de ervaren feiten en deze wil analyseren op objectieve wijze. Ik duid deze stroming aan met 'gedragsonderzoek' of met 'positivistIsch onderzoek'. Zie p 27 en 39.

Expliciet:

uitdrukkelijk.

Expressief:

gevoelens duidelijk uitdrukkend.

Feedback:

terugkoppeling, terug-bericht (de onderste pijl in schema X 1 op p 227).

Funderen:

onderbouwen met ideeŽn en argumenten.

G

 

Gradueel verschil:

een niet wezenlijk verschil.

H

 

H.:

hoofdstuk.

Hermeneutisch:

betekenis-ontdekkend. In de hermeneutische wetenschapsstroming probeert men vooral te ontdekken wat de werkelijkheid voor de mensen betekent, dus niet zozeer hoe die werkelijkheid objectief precies is.

I

 

i.h.b.:

in het bijzonder.

Idiografische theorie:

een theorie over ťťn mens, ťťn groep, ťťn situatie; die theorie beschrijft het bijzondere daarvan. Zie: nomologische theorie.

Impliceren:

'dit impliceert...' wil zeggen: 'dit brengt logischerwijs met zich mee dat...'.

Inaugurele rede:

een toespraak of openbaar college, waarmee een professor zijn of haar functie aanvaardt en zijn of haar ideeŽn uiteenzet.

In casu:

in dit geval. 

Inconsistentie:

een 'logische inconsistentie' is een redenering die logisch niet klopt.

Inductief:

een inductief opgezet onderzoek begint met de feiten of de verhalen daarover en ontwikkelt vervolgens daarover een theorie.
Zie: deductief.

Interactie:

omgaan met elkaar; de 'interactietheorie' verklaart de sociale werkelijkheid vooral vanuit wat er gebeurt tussen de mensen; zo'n theorie brengt de manier waarop mensen met elkaar omgaan in kaart.

 

Interpretatiekader:

'denkraam'; het geheel van ideeŽn en begrippen waarmee iemand betekenis geeft aan hetgeen hij waarneemt.

Inter-subjectief:

het niveau van meer algemene kennis en inzicht dat bereikt kan worden als mensen hun eigen (subjectieve) ideeŽn uitwisselen.

Interventie:

ingreep.

Irrationeel:

niet redelijk (verklaarbaar).

M

 

Matrix:

een schema, bestaande uit horizontale rijen en vertikale kolommen. Zie schema IV 15 en IV 16 (p 91 en 93).

Metacommunicatie:

communicatie over de communicatie: erover praten hoe het gesprek loopt.

Methodische ideeŽn:

zinvolle gedachten over hoe men juist en verantwoord kan handelen.

Methodologie:

onderzoekskunde.

N

 

Neo-positivistisch:

zie bij 'positivistisch '.

Nomologische theorie:

een theorie die wetmatigheden formuleert, die voor zo veel mogelijk mensen en situaties gelden.
Zie: idiografische theorie.

Normatieve theorie:

een theorie die (ook) aangeeft hoe iets behoort te zijn of zou moeten zijn, en waarom.

Normatieve discussie:

discussie over de normen en waarden, dus niet alleen over de feiten zoals ze zijn, maar ook zoals ze zouden moeten zijn.

Notities:

hier is steeds gedoeld op de werkstukken waarin in de loop van het onderzoek maandelijks aan de groepsleidmg van een team werd gerapporteerd. Zie p 97.

O

 

Objectief:

volgens de feiten die onbevooroordeeld en controleerbaar zijn waargenomen.

Orthopedagogiek:

het vak dat zich bezig houdt met de problematische opvoedingssituatie.

P

 

p.:

pagina.

Paradigma:

een wetenschapstheoretisch uitgangspunt of een stelsel van deze uitgangspunten. Zie p 43. Vgl p 27.

Participatie:

deelname; hier is met name gedoeld op de deelname van de studenten en mij aan het werken in de groep.

Percentueel:

in procenten uitgedrukt.

Perspectief:

een visie (een manier van kijken) en een positie (een standpunt van waaruit gekeken wordt).

Positivistisch:

de aanduiding van een stroming in de wetenschap waarin men theorie (alleen) wil toetsen aan objectief waargenomen ('positieve ') feiten. Dit gebeurt vooral in de natuurwetenschappen. Wanneer men ook in de menswetenschap zo kijkt en denkt spreek ik van 'gedrags-wetenschap'.

Pragmatisch:

het praktische handelen betreffend.

Practici:

praktijkwerkers.

Prescriptief:

een prescriptieve theorie beschrijft de werkelijkheid, zoals die behoort te zijn.
Vergelijk: descriptief.

R

 

Rationeel:

redelijk, verstandig.

Reduceren, reductie:

iets zo benoemen, dat het in een categorie van lagere waarde valt.

Referentiekader:

een stelsel van ideeŽn of een theorie, met behulp waarvan men waarneemt en denkt.

Reflectie, reflexief:

nadenken, nadenkend.

Relevant:

in dit verband terzake en van belang.

ResidentiŽle orthopedagogiek:

het vak dat zich bezig houdt met de hulpverlening in tehuizen.

Rubriceren:

onderbrengen in groepjes of categorieŽn.

RubriceringscategorieŽn:

de namen van de groepjes waarin men iets indeelt.

S

 

Selectie-criterium:

datgene wat bepaalt of iets uitgekozen wordt.

Subjectief:

aan ťťn persoon gebonden.

V

 

Validiteit:

geldigheid van een bewering.

 

Start Omhoog