Conclusies

Vorige Start Omhoog Volgende

1.

Net zoals in veel aspecten van het leven moet men bij pedofiele gevoelens onderscheid maken tussen gevoelens en daden. Ook moet men één aspect van een persoon niet tot de identiteit van een persoon verklaren en deze alleen vanuit dat aspect aanspreken en benoemen. 'Pedofilie', als men dit woord wil gebruiken, is niet gelijk aan seksueel contact met kinderen en niet aan seksueel misbruik.


2.

Men kan niet zeggen dat wat bij wet verboden is daarom ook moreel slecht is en anders om.  Over wat moreel goed of slecht is, daarover zal men apart moeten nadenken en er de ethische argumenten voor moeten geven.
Wetenschap mag en moet zich wel met morele vragen bezighouden, mits men twee typen vragen weet te onderscheiden. De vraag naar hoe iets is, is een andere dan hoe iets zou moeten zijn. Beide vragen vergen een ander type onderzoek en een ander type discussie die men niet met elkaar moet verwarren.

3.

Als men over deze zaken nadenkt, doet men er goed aan modellen van denken te vermijden die geen open vragen meer stellen; men weet het al, men heeft al een oordeel vooraf. Deze vooroordelen zijn vaak ideologisch van aard, naar welke oordelen men de werkelijkheid gaat aanpassen en de objectiviteit verliest. 


Een overtuiging die berust op geloof, is moeilijker te veranderen dan een die berust op een redenering.

Stelling, M. Albrecht, Wageningen
(NRC 4 augustus 2001, Stellingen)
.

4.

Binnen de andere modellen zijn er die uitgaan van een deterministisch-mechanische visie op de mens en modellen die ervan uitgaan dat de mens kan kiezen uit mogelijkheden, zowel bewust als onbewust. De eerste impliceren een gebruik van macht. Deze laatste zijn vruchtbaarder omdat ze de mogelijkheid open laten om keuzen alsnog bewust te maken, er op terug te komen en ze te veranderen.

5.

Onderzoek wijst uit dat mensen met pedofiele gevoelens weinig verschillen van de bevolking als geheel. Zo er, op persoonlijkheidtesten, al significante verschillen verschijnen, zijn deze klein en niet pathologisch te noemen. Ten dele zijn ze eerder gevolg dan oorzaak. Pedofiele gevoelens zijn geen eigenschap van 'aparte' mensen, maar zijn een algemeen menselijk gegeven.
Het beeld dat uiteindelijk overeind blijft is, globaal genomen: het stille en enigszins eenzame kind wordt een ietwat verlegen, gevoelige man met weinig agressie en weinig seksuele aandrang, niet graag in competitie met andere mannen, liever bezig met het zorgen voor kinderen.

6.

Pedofiele gevoelens dringen zich min of meer op. Daarna is er keuze om ze zich al dan niet bewust te worden, al dan niet te erkennen en te accepteren. De volgende keuze is hoe er mee om te gaan. Een andere keuze is ze te ontkennen, ze proberen te verdringen en ze te projecteren op andere mensen en deze tot demonen te maken. Het laatste is ongezond, zo niet pathologisch.
-


We kunnen de schaduw niet elimineren. [...]
Als je dat niet ziet, wordt het oppassen geblazen!
Dan is het goed je Jungs uitspraak te herinneren dat een complex niet per se pathologisch hoeft te zijn. Het wordt pas pathologisch als we veronderstellen dat we het niet hebben, want dan heeft het ons.

Zweig & Abrams 1996, p. 52

 

7.

Waar nu de wortels liggen, zal per mens verschillen. Ik heb dit alleen bij mijzelf na kunnen gaan. Het blijkt dan dat de gevoelens en de kracht ervan voortkomen uit een aantal cruciale keuzen, deels onbewust en deels bewust gemaakt in de loop van mijn leven. Steeds waren die keuzen een (overlevings)recatie op een als fundamenteel ervaren gemis. Omdat het keuzen waren van mijzelf, reken ik deze tot mijn eigen verantwoordelijkheid. Een deel ervan bleek later bewust te kunnen worden en alsnog veranderd te kunnen worden (zie narcisme en Oedipale toestanden)

8.

Wie pedofiele gevoelens in zichzelf ontwaart, doet er goed aan deze niet te ontkennen of weg te drukken. Beter is het om ze onder ogen te zien, te erkennen, te gaan begrijpen en te accepteren als deel van zichzelf. Dan kan men ook kiezen hoe er mee om te gaan. Voor dit proces van ontdekken t/m ermee leven zijn gesprekspartners van nut die niet bij voorbaat (ver)oordelen maar ook bereid zijn te erkennen en te accepteren.
Bij het kiezen van een manier van leven is het aangaan van seksuele contacten met kinderen om een veelheid van redenen stellig af te raden.
Er blijven nog genoeg manieren van leven over die voor de betrokkene, voor de kinderen en voor de samenleving aanvaardbaar en nuttig zijn. Het jeugdwerk vaart er wel bij.

9.

Voor ouders en verzorgers geldt vooral dat ze contact leggen en onderhouden met het innerlijk van de kinderen. Ook hier geldt: niet bij voorbaat (ver)oordelen, maar erkennen en proberen te begrijpen en te accepteren en ermee weten te leven. Vanuit een dergelijk contact hoeft men niet zo bang te zijn voor 'ongelukken' en andere relaties die het kind eventueel aangaat. Ze kunnen aanvullend en verrijkend zijn.

10.

De samenleving als geheel kan regels stellen in overleg met alle betrokkenen, zoals dit in het poldermodel op vele gebieden gebruikelijk is en nuttig is gebleken. Die regels kunnen zo zijn dat gedrag binnen grenzen wordt geleid en dat gevoelens, gedachten en mensen, jong en oud, niet onderdrukt hoeven te worden.

11.

Het meest kwalijke dat men in deze kwesties kan bedenken is het aanwijzen van zondebokken en het demoniseren van mensen. Dit leidt, zo blijkt in andere landen, tot absurditeiten als 'sexual offenders' van negen jaar of jonger die levenslang vast komen te zitten, letterlijk of in de zin van registratie en vooroordelen. Dit is gevaarlijk voor iedereen, in het bijzonder voor de kinderen die in zo'n klimaat van demonisering opgroeien, bijvoorbeeld in de VS.
Het klimaat is in Nederland op die weg, maar in ons land is dit nog te keren.
Dit kan door het zondebokproces te keren. Daartoe dient men zichzelf om te keren: even kijken naar wat men de ander verwijt en vervolgens eens eerlijk in de spiegel naar zichzelf te kijken. Dit is het verzoek dat ik aan beide partijen wil doen.

Vorige Start Omhoog Volgende