Start Omhoog

De strijd om de vrije wil, de feiten en de moraal

  Het debat rond de publicaties van Rind, Bauserman & Tromovitch gaat door; een overzicht, 1997 - 2002

  Door Dr Frans Gieles

OK Magazine, januari 2003

~~~ 

Het gaat hier om onderzoek naar mogelijke schade door wat de schrijvers consequent en politiek correct seksueel misbruik van kinderen blijven noemen. OK schreef er al eerder over (in de nummers 63, 67, 69 en 70) en het debat is doorgegaan. We pakken de draad weer even op en bezien de laatste ontwikkelingen. Het debat is fel en gaat over twee zaken die in het debat vaak door elkaar heenlopen, maar die ik hier scherp uit elkaar wil houden: feiten en moraal.  

Onderzoek naar de feiten leert dat ervaringen met wat doorgaans misbruik wordt genoemd lang niet altijd blijvende schade opleveren, vrij zelden zelfs, en dat het dus eigenlijk niet altijd misbruik mag heten. De tegenstanders willen hier niet aan. Zij betwisten de feiten, maar dat wordt steeds moeilijker. Dan komen de morele uitspraken in het geding – en daarmee verandert het debat. Een discussie over feiten is een ander type discussie dan een discussie over normen. Beide discussies hebben verschillende onderwerpen, verschillende typen uitspraken en ook verschillende waarheidscriteria. [*1]  

Het cruciale punt in het debat is de vrije wil van de kinderen die seksuele ervaringen hebben gehad. Volgens bepaalde deelnemers aan het debat kan die vrije wil niet bestaan, want deze mag niet bestaan, en dus bestaat deze niet. Onderzoek dat ‘m aantoont, zit er dus naast.
Zulk onderzoek gebeurt altijd met behulp van interviews of vragenlijsten. Men vraagt terug te zien op de bepaalde ervaringen en er een en ander over te zeggen. Als er dan voldoende mensen beweren dat ze vrijwillig aan die ervaringen deelnamen en deze ten dele ook positief beleefden, neemt men aan dat dit waar is. Maar anderen, die vaak de uitroep ‘Geloof de kinderen!’ gebruiken, willen hier niet aan. Zij geloven de kinderen slechts zolang deze zeggen gedwongen te zijn en een negatieve beleving te hebben gehad, zij geloven ze niet als ze iets anders zeggen. Die kinderen moeten wel misleid of gedwongen zijn, of hun ware gevoelens verdrongen hebben.

Maar laten we bij het begin beginnen. We gaan terug naar 1997 [*2].

1997: Samenhang onderzocht

In 1997 publiceerde het Rind team drie artikelen:
(1) ‘Pschological Correlates…’ [*3],
(2) ‘A Meta-Analytic Review of Findings from National Samples …’
[*4] en
(3) ‘Adult Correlates…’
[*5].  

(1) Het eerste artikel, ‘Psychological Correlates…’ 

constateert dat onderzoek op dit gebied vrijwel steeds is gedaan over ervaringen van meisjes, waarbij men aannam dat de conclusies ook voor jongens golden. Voorts werd onderzoek vooral gedaan bij wat men noemt ‘klinische steekproeven’. Dit betekent dat men mensen ondervraagt die in een kliniek of andere vorm van therapie of hulpverlening zitten, dus bij mensen die een probleem hebben. 

De conclusie is dan ook steevast: ‘er is een probleem ontstaan door de seksuele ervaring’.
Daarom overzien de schrijvers nu juist die onderzoeken die met niet-klinische steekproeven gewerkt hebben en die ook ervaringen van jongens in het onderzoek hebben betrokken. De conclusies luiden dan anders: nu blijken de meeste reacties neutraal of positief te zijn, in het bijzonder bij jongens die met het contact instemden. Negatief zijn de reacties op ervaringen van incest en van dreiging of dwang.

De schrijvers constateren dat het begrip ‘misbruik’ doorgaans te breed en te vaag is omschreven en dat men vaak een moreel oordeel met het feitelijk vaststellen van schade verwart. Zij concluderen ook dat men geen algemene conclusies mag verbinden aan onderzoek dat alleen met een klinische steekproef werkt en dat alleen de ervaringen van meisjes onderzoekt. 

(2) Het tweede artikel, ‘A Meta-Analytic Review…’

begint met de constatering dat onderzoekers doorgaans concluderen dat seksuele ervaring in de kindertijd (steevast ‘seksueel misbruik’ genoemd) altijd schade teweegbrengt, en wel blijvende (“pervasive”) en intensieve schade, bij jongens zowel als bij meisjes. Zulk onderzoek is steeds gedaan bij steekproeven van mensen in een kliniek of een gevangenis (“clinical and legal samples”), die dus niet representatief zijn voor de bevolking in het algemeen. 

Daarom kijken de schrijvers nu eens naar zeven onderzoeken, verricht onder de bevolking in het algemeen, en wel in verschillende landen (”national samples”). Zij concluderen dan dat uit die onderzoeken blijkt dat seksuele ervaring in de kindertijd niet per se gekoppeld is aan blijvende en intensieve schade en dat jongens en meisjes hier verschillend op reageerden: jongens reageerden er veel minder negatief op dan meisjes. Ook mag men, op grond van deze onderzoeken, niet concluderen dat, als er problemen zijn, de seksuele ervaring hiervan de oorzaak is; er zijn ook andere factoren werkzaam. Schade trof men wel aan, maar lang niet altijd, namelijk alleen als er dwang gebruikt werd en als de ervaring in het eigen gezin plaats vond. Men vond geen schade bij vrijwillige ervaringen buiten het eigen gezin.

Men concludeert dat veel onderzoekers en schrijvers over deze zaken de begrippen ‘afkeurenswaardig’ en ‘schadelijk’ hebben verward (“wrongfulness” & “harmfulness”) – ofwel feiten en moraal en de discussies daarover hebben verward. Men zou ook wat striktere definities van ‘misbruik’ moeten hanteren.  

(3) Het derde artikel, ‘Adult Correlates …’

noemt ook eerst de constatering dat het publiek en de mensen die in de hulpverlening werken steevast een seksuele ervaring in de jeugd beschouwen als het ergste wat een kind kan overkomen. Men gaat dan uit van vier overtuigingen die in het debat ook steeds weer terugkomen:

1) Deze ervaring brengt schade teweeg,

2) vooral bij mensen die ervaringen hadden die ‘misbruik’ moeten worden genoemd;

3) de schade is altijd ernstig en

4) bij jongens evenzeer als bij meisjes.


De schrijvers onderzoeken het werk van andere onderzoekers, in dit geval 64 rapporten van onderzoek dat gedaan is bij steekproeven uit de bevolking als geheel en bij studenten, mannen zowel als vrouwen, dus bij niet-klinische steekproeven.

Het bleek dat studenten die als kind seksuele ervaring hadden, iets meer problemen van uiteenlopende aard hadden dan wie deze ervaring niet hadden (“slightly well adjusted”). Hetzelfde bleek bij de bevolking in het algemeen het geval te zijn; de statistische uitkomst (effect-omvang, “effect size”) was vrijwel gelijk. Dit betekent dat men conclusies van onderzoek bij studenten mag doortrekken naar de bevolking als geheel. Ook dit punt komt later in de discussie weer terug.

Maar nu de vraag waardoor dat dan wel komt. Het blijkt dat, als men de gegevens over de gezinnen van herkomst in de analyse betrekt, de gezinssituatie bepalend is voor de samenhang en dat de samenhang tussen seksuele ervaring en latere problemen wegvalt. Ook bleek dat de ervaringen door jongens positiever beleefd zijn door meisjes. Weer constateren de schrijvers dat de definities van ‘misbruik’ zo breed zijn gekozen dat er wel zeer verschillende ervaringen onder een noemer gebracht worden.
De conclusie is dat de vier overtuigingen, hierboven genoemd, onjuist blijken te zijn..

Let wel, de schrijvers hebben niet zelf nieuw onderzoek verricht; zij hebben zelf niemand ondervraagd, maar alleen de literatuur onderzocht, dus het werk van anderen bekeken. Al de bovengenoemde punten komen later in de discussie terug en worden dan de schrijvers verweten, maar men mag hen niet verwijten wat anderen onderzocht en geconcludeerd hebben.
Opmerkelijk is dat deze drie artikelen aanvankelijk nauwelijks reacties hebben opgeleverd en zelfs in de kring van vakgenoten lang onbekend zijn gebleven. Dit gaat veranderen. Het volgende artikel leverde een stormvloed aan reacties op.  

1998: De Meta-analyse [*6]

Hierover is in de OK al eerder geschreven, in nummer 67. Dit artikel is ook op het Internet te lezen. [*7] Hier volgt slechts een samenvatting. Deze kan kort zijn, omdat de conclusies volledig sporen met wat hierboven al vermeld is.  

Het artikel begint weer met de vier overtuigingen die algemeen worden aangetroffen en die hierboven al vermeld zijn. Nu onderzoeken de schrijvers 59 onderzoeksverslagen. Zij onderzoeken dus onderzoek. Dit noemt men ‘een meta-analyse’, een analyse van analyses. In dit geval Engelstalige onderzoeken die met studentensteekproeven werkten. Zij doen dit op grond van de hierboven vermelde conclusie dat de cijfers daarvan overeenkomen met die uit de algemene bevolking. Zij kiezen voor onderzoek onder studenten omdat hierover veel meer gegevens beschikbaar zijn dan over de bevolking in het algemeen. Daardoor worden de aantallen deelnemers hoger en de conclusies statistisch meer solide.

Vervolgens sommen de schrijvers de tekortkomingen op die zij in eerder onderzoek aantroffen, vooral in kwalitatief onderzoek, onderzoek dat niet met harde cijfers werkt. Eenzijdigheid van onderzoeksgroepen en in gebruik van termen, te brede definities en te snelle conclusies over oorzakelijkheid zijn daar troef. Waar wel met getallen werd gewerkt, in kwantitatief onderzoek, troffen zij fouten aan in de statistische verwerking en in de vorming van conclusies.  

Weer trof men schade aan, maar wederom weinig, dus zeker niet altijd, blijvend en intens: een effectomvang (dit wil zeggen: de mate waarin de seksuele ervaring de latere problematiek beïnvloed heeft) van 1% voor meisjes en 0.5% voor jongens, gemiddeld 0,81%, hetgeen statisch gesproken erg laag is. Voor de vrijwillige ervaringen was deze 0,6% voor de meisjes en 0% voor de jongens. 

Let wel: zoveel procent van de effectomvang, dus van het totaal aan mogelijke invloeden -  niet zoveel procent van de jongens of meisjes. De effectomvang (mate van invloed) van de gezinssituatie bleek tien maal hoger te zijn: 8,41%. Ofwel: het gezin heeft tien keer meer invloed dan de seksuele ervaring. Blijvende schade bleek er  bij 0% van de jongens en 4% van de meisjes. Die 4% zijn vooral te zoeken bij afgedwongen incestervaringen. Vier procent bij meisjes is natuurlijk vier te veel, maar nog altijd geen 100% blijvende schade bij jongens en meisjes. Er bleek voorts een duidelijk verschil tussen vrijwillige en afgedwongen ervaringen.

Voor het geheugen kan men, afgerond, onthouden dat de reactie van jongens op seksuele ervaringen in de jeugd globaal genomen voor 1/3 positief is, voor 1/3 neutraal en voor 1/3 negatief. Meisjes reageerden voor 2/3 negatief, voor 1/6 neutraal en voor 1/6 positief.

De schrijvers concluderen dat de term “seksueel misbruik” (die zij zelf, politiek correct blijvend, consequent bleven gebruiken) niet geschikt is om elke seksuele ervaring in de kindertijd mee aan te duiden. Er is immer niet altijd schade, dus niet altijd misbruik. Kies neutrale termen, raden zij aan. Dit advies is hen niet in dank afgenomen, zo zal nog blijken.  

1999: De eerste ronde van het debat; niet gelezen, toch afgewezen  

In tegenstelling tot de artikelen uit 1997 en eerder, werd de meta-analyse ineens ontdekt door het publiek en dit leidde in eerste instantie tot een storm van afwijzingen. Ook hierover schreef ik al in de OK, nummer 69 en 70, en ook dat artikel is op het Internet te lezen [*8], dus er volgt nu alleen een kort overzicht.

NAMBLA was de eerste, die de ontdekking als “goed nieuws” presenteerde op haar web site. Al vrij snel werd deze tekst verwijderd, want NARTH, een vereniging die homoseksualiteit als ziekte ziet en deze wil genezen, had die tekst gezien en zo de meta-analyse ontdekt. 

Onmiddellijk volgde negatieve kritiek. Iemand las dit en lichtte “Dr. Laura” Schlessinger in. Deze vrouw is helemaal geen dr., maar heeft een veelbeluisterd radioprogramma. Zij begon een krachtig offensief in vele uitzendingen. Deze Laura is later van diverse radio- en tv-stations verwijderd vanwege haar zeer anti-homoseksuele uitspraken. Haar zeer emotionele aanvallen waren gericht op de APA, de American Psychological Association (Vereniging van Psychologen), die de meta-analyse gepubliceerd had.  

De APA moest wel reageren en begon afstand te nemen van de inhoud van de meta-analyse. Markant genoeg niet van de mate van wetenschappelijkheid ervan - dus niet van de feiten, - maar wel van de inhoudelijke conclusies - dus van de moraal. De APA herhaalde haar bestaande moraal dat alle misbruik, wellicht feitelijk wat minder schadelijk dan gedacht, toch (moreel) slecht is.  

Ook de Family Research Council reageerde. Deze ‘Raad voor Gezinsonderzoek’, in feite een conservatief-christelijke belangengroep, heeft weliswaar nooit onderzoek gepubliceerd, maar zij lichtte wel de politiek in. Eerst verzetten enkele staten zich tegen het artikel en daarna het gehele federale Congres van de VS. Dit deed de unieke uitspraak om een wetenschappelijk correct geschreven artikel af te wijzen op inhoud. Dus niet op grond van feiten, maar op grond van de moraal.

Tot zover is de geschiedenis beschreven in de OK nummer 70. Wat daarna kwam was toen nog toekomst, maar is nu geschiedenis en deze lopen we dus eens even langs.  

Kenmerkend voor deze eerste ronde van de discussie was dat de eerste critici het hele stuk klaarblijkelijk niet gelezen hadden – of niet goed, of het niet hadden begrepen. Er werden bezwaren geuit die in het artikel zelf al uitvoerig waren weerlegd en er werden ‘citaten’ gegeven die in het hele artikel niet voorkwamen. Er werd alsmaar over ‘het bevorderen of goedpraten van pedofilie’ gesproken, terwijl het woord ‘pedofilie’ in het gehele artikel niet voorkomt. Het Rind team schrijft in mei en in november 1999 een stuk om zich in eerste instantie te verdedigen. [*9]

Overbodig te zeggen dat het Rind team in deze periode op alle denkbare wijzen aangevallen en bedreigd is. Zij konden hun banen hier echter niet aan verliezen, want alle onderzoek is in de vrije tijd op eigen kosten verricht. Er viel voor de staat geen loon in te trekken, wat later met Harris Mirkin wel is gebeurd.  

In deze periode vallen dan de eerste twee artikelen van David Spiegel [*10]. 

Spiegel is een leidend figuur in een vereniging met de indrukwekkende, narcistisch aandoende naam Leadership Council for Mental Health, Justice, and the Media (Raad voor Leidinggevenden in de Geestelijke Gezondheid, Justitie en de Media). Deze presenteert zich in een persverklaring trots als een organisatie van “vele van ’s lands meest prominente leiders op het gebied van de geestelijke gezondheidszorg”, maar dit is helemaal niet zo. Het is een vereniging van mensen die sterk geloven in een meervoudige persoonlijkheidsstoornis, veroorzaakt door verloren of onderdrukt herinneringen aan seksueel misbruik. In hun behandelingspraktijk brengen ze deze verloren herinneringen aan het licht. Deze therapeuten worden nu massaal aangeklaagd wegens het uitlokken van valse beschuldigingen, vooral tegen vaders; hun opvattingen en therapieën worden door velen niet serieus genomen. Redenen genoeg om zich te verenigen. We zullen  nog van hen vernemen.  

Spiegel noemt de meta-analyse onwetenschappelijk: “misbruik van statistiek en van kinderen”. Hij zegt dat men door studenten te onderzoeken nu juist de ergste gevallen mist, namelijk degenen die juist door het seksueel misbruik wel aan drugs en problemen, maar niet aan studeren toekwamen. Ook mist hij het Post-Traumatisch Stress Syndroom in de analyse en hij vindt dat er te veel lichte gevallen en problemen in vervat zijn, waardoor je de echte problemen niet meer ziet. Dit laatste verwijt treft dus typisch niet de meta-analyse, maar de oorspronkelijke 59 onderzoeken: daar zijn de definities van misbruik en van problemen juist zo breed gekozen dat er van alles onder valt.

Spiegel kan niet geloven in vrijwilligheid en de afwezigheid van dwang en hij kan “geen minuut geloven” dat er niet altijd schade optreedt. Hij noemt ernstige gevallen van vrouwen uit zijn behandelingspraktijk en hij roemt “de onschuld van het kind” die “zo mooi is”.
Spiegels reacties zijn typerend voor de eerste ronde. Er komt een tweede, waarin het debat een andere vorm aanneemt.  

2000: De tweede ronde; ondersteuning en verdediging  

In deze discussieronde verschijnen er, min of meer los van elkaar, twee typen artikelen. Ten eerste artikelen die de meta-analyse ongevraagd ondersteunen en ten tweede artikelen van het Rind team zelf waarin ze hun onderzoek verdedigen tegen de aanvallen uit de eerste ronde. Het zijn stuk voor stuk lange artikelen die meerdere OK’s zouden kunnen vullen. Ik zal proberen de kern ervan hier aan te geven. De artikelen zijn vrijwel alle op het Internet te lezen: zie de noten bij dit artikel. [*11]

Tijdens deze ronde krijgt de eerdergenoemde APA het moeilijk. Een veroordeling door het Congres blijkt een van staatswege betaalde reclame te zijn: nu wordt het artikel echt gelezen door velen. Onder hen zijn leden van de APA die het beleid om afstand te nemen van de inhoud afkeuren. De APA, zo zeggen zij, heeft een kans gemist om duidelijk te maken dat wetenschap (in de zin van studie van feiten) los dient te staan van politiek (dus van moraal).  Wetenschap zou de publieke moraal moeten corrigeren in plaats van deze blindelings te volgen. Er zeggen leden hun lidmaatschap op. Een zekere Lilienfeld schrijft deze opvatting op in een artikel, dat dan ook prompt door de APA geweigerd wordt. Er volgt een hoop ruzie over en weer stappen er leden op.  

Harris Mirkin  

Mirkin noemt zijn artikel “Seks, Wetenschap en Zonde” [*12]. 
Hij ziet (slechts) twee typen aanvallen op de meta-analyse (in de eerste ronde van het debat): aanvallen op subtiliteiten in de manier van onderzoeken en pogingen het artikel te verbannen. Het eerste type aanval snijdt geen hout want het is methodologisch ijzersterk. Het tweede type probeert echte argumentatie uit de weg te gaan door de schrijvers de mond te snoeren, hetgeen dus niet lukt. Waar het om gaat is dat de meta-analyse de feitelijke argumentatie (‘er is altijd blijvende schade’) onder de bestaande moraal onderuit haalt en dat deze moraal, wil ze zich handhaven, met nieuwe argumenten moet komen. Liever dan dat te doen, viel men de schrijvers aan, als zouden deze pedofilie verdedigen. De schrijvers echter gebruiken het hele woord ‘pedofilie’ niet en onthouden zich bewust van het morele of ideologische debat omdat dit elders thuis hoort en een ander type debat is. Zij houden zich bij de feiten.

Mirkin schrijft zijn artikel dan ook niet over de meta-analyse zelf, maar over het debat dat daarop volgde. In dat debat zijn de twee typen discussies, die over feiten en die over moraal, onvoldoende onderscheiden. Het debat zou nu moeten gaan over ‘het onschuldige kind’ dat toch niet zo aseksueel blijkt te zijn als men zich wenst. Hij vergelijkt het debat met dat wat losbarstte nadat het Kinsey rapport was verschenen. Dit onthulde het seksuele leven van de brave Amerikanen.  

Mirkin is onlangs heftig aangevallen over dit artikel en over een vorig artikel van hem [*13] waarin hij de politieke strijd analyseert waarin conservatieven hun stellingen trachten te handhaven. Wetten die nu ‘het kind moeten beschermen tegen het gevaar van pedofielen’ komen tot stand via hetzelfde soort politieke proces als destijds de wetten tegen het gemengd huwen van zwarte slaven, tegen masturbatie en tegen homoseksualiteit. Het gaat hier helemaal niet om het beschermen van mensen, het gaat om het behoud van de macht van de conservatieven.  

Mirkin kreeg honderden hate-mails, artikelen, ingezonden brieven en radioprogramma’s over zich heen en de staat reageerde precies zoals hij dat beschrijft. De staat Missouri verminderde snel middels een wet het budget van de universiteit waar hij werkt precies met het bedrag van zijn salaris, met toelichting erbij wat de bedoeling ervan was. De universiteit echter week niet voor deze sluwe overmacht, zij bezuinigde elders iets en Mirkin behield zijn baan in het kader van de vrijheid om wetenschap te bedrijven. Zo scherp gaat die strijd daar.  

Thomas Oellerich  

“Het onderzoek van Rind, Tromovitch en Bauserman naar de gevolgen van SMK [Seksueel Misbruik van Kinderen] onder studenten is politiek incorrect maar wetenschappelijk correct. Het heeft een aantal belangrijke implicaties voor de wetenschap en de praktijk. Een van de belangrijkste is de noodzaak om te stoppen met het overdrijven van de schadelijke gevolgen van seksueel gedrag tussen volwassenen en minderjarigen, zoals eerder werd gesteld door Browne en Finkerhor en door Seligman.

Een andere belangrijke implicatie is het uitvoeren van onderzoek dat de kwestie van seksueel gedrag tussen volwassenen en minderjarigen niet vanuit een politieke ideologie benadert, zoals tot dusver vaak het geval is geweest. En tenslotte is het tijd om een eind te maken aan 
1) de gebruikelijke veronderstelling dat SMK psychische schade aanricht en 
2) de gebruikelijke aanbeveling van psychotherapeutische interventie.” [*14]  

Het Rind team  

The Skeptical Inquirer [*15] 

” Wij zouden graag onze eigen gedachten presenteren over deze verbluffende geschiedenis van politieke druk en maatschappelijke hysterie – de antithesen van kritisch en sceptisch denken.

We voerden ons onderzoek uit in de geest van wetenschappelijk scepticisme, een houding die helaas heeft ontbroken in de paniek over SMK die gedurende een groot deel van de jaren tachtig en vroege jaren negentig opstak.”

“Tegen 1976 verschoof de nadruk ervan goeddeels naar SMK. De victimologie [‘slachtofferwetenschap’] bloeide als gevolg hiervan op en bracht honderden onderzoeken voort die de veronderstellingen over SMK leken te bevestigen. Maar deze onderzoeken overtraden consistent fundamentele principes van de wetenschappelijke methodologie, zodat de verwachte conclusies konden worden getrokken. Ze gebruikten voornamelijk hoogst onrepresentatieve klinische casestudy’s [‘gevalsbeschrijvingen’], maar generaliseerden met weinig restricties naar de hele bevolking. […] Ons onderzoek was opgezet om met deze vertekeningen af te rekenen.”

” Ons onderzoek heeft een nauwlettende en sceptische aandacht gevestigd op een uit de hand gelopen kwestie, die door Jenkins (1998) een ‘morele paniek’ is genoemd. Victimologen zijn activisten, geen wetenschappers. Er is zeker een plaats voor activisme, zolang dit niet wordt verward met wetenschap – en zolang beleidsmakers beschikken over de beste wetenschappelijke feiten, in plaats van over ongestaafde overtuigingen, hoe hevig die ook gekoesterd worden.”  

Sexuality & Culture, Spring 2000  [*16]  

Na een bespreking van de gang van zaken bij het aanvallen van de meta-analyse gaan de auteurs eerst in op onderzoekstechnische verwijten, zoals het onderzoeken van onderzoek onder  studenten. Deze blijken goeddeels al in de meta-analyse zelf al besproken te zijn.
Een storm van verwijten was ontstaan naar aanleiding van hun voorstel om ‘seksueel misbruik van kinderen’, als aanduiding van alle seksuele ervaringen onder de 18 jaar (of een andere wettelijk vastgestelde en per land verschillende leeftijd)  door een neutralere term te vervangen. In hun verdediging maken de auteurs de vergelijking met masturbatie, hoe dit ooit als een gevaarlijke afwijking en ziekte is bestempeld, hetgeen later pertinent onjuist bleek te zijn.

Dan kot de kwestie van de vrij wil aan de orde.
Vrijwel alle critici konden niet geloven dat een kind (lees: iedereen onder de 18) met seks kan instemmen. Men houdt dit voor onmogelijk. Onderzoek dat deze mogelijkheid veronderstelt, is ‘dus’ fout onderzoek.

Het Rind team maakt onderscheid tussen ‘instemming zonder meer’ (“simple consent” of “willingness”) en ‘instemming met kennis van feiten’ (“informed consent”). Van het eerste is hier sprake. Een jongere kan niet alles weten, maar kan wel instemmen. Wie dit niet gelooft, luistere naar de jongeren zelf. Enkele duizenden studenten en andere volwassenen zeiden het. De mate van instemming bleek in de meta-analyse zelfs een belangrijke factor die onderscheid maakte tussen positieve en negatieve beleving, alsook tussen gevallen van schade en van geen schade. Als een factor onderscheidend vermogen heeft, moet hij dus bestaan en is de erkenning ervan wetenschappelijk correct.

De auteurs citeren dezelfde APA die mogelijkheid tot instemming afwees: “Psychologische theorievorming en psychologisch onderzoek naar cognitieve, sociale en morele ontwikkeling ondersteunen in sterke mate de conclusie dat de meeste tieners in staat zijn om geïnformeerde beslissingen te nemen over belangrijke levenssituaties.” Dit ging over abortus, in een brief aan de Hoge Raad van de VS in oktober 1989. Een jongere zou dus wel met kennis van zaken kunnen en mogen instemmen met een abortus, maar niet zonder meer kunnen instemmen met seks. Erg inconsequent.  

Het Rind team verdedigt zich in hetzelfde nummer, Spring 2000, tegen wat Spiegel (zie hierboven) noemde het “misbruik van statistiek en van kinderen”. [*17]

Het feit dat onderzoek onder studenten is gebruikt wordt gerechtvaardigd door de overeenkomst in de cijfers van de mate van het voorkomen van seksuele ervaringen en de mate van de schadelijkheid ervan tussen studentenonderzoek en bevolkingsonderzoek.

Het feit dat het post-traumatisch stress syndroom als zodanig niet is opgenomen wordt gerechtvaardigd doordat dit syndroom bestaat uit een verzameling klachten, die elk op zich wel zijn opgenomen in de analyse. Bovendien is nooit bewezen, zelfs niet in klinisch onderzoek, dat dit syndroom eigenlijk wel bestaat en dat het een gevolg is van vroege seksuele ervaringen – slechts van stormrampen en aardbevingen, kennelijk ernstiger zaken.

Er volgen wat statistische kwesties, waarbij de auteurs steeds weer kunnen  verwijzen naar de meta-analyse zelf waar deze allang besproken zijn. Zij opperen dat Spiegel kennelijk alleen slechts samenvattingen heeft gelezen, maar niet het artikel zelf.

Ook de vrijwilligheid komt weer ter sprake. Volgens Spiegel is het moreel onjuist om het bestaan hiervan te veronderstellen en dit te zeggen. Volgens Rind c.s. is het wetenschappelijk onjuist om het bestaan ervan, erkend in vele wetenschappelijke geschriften, te ontkennen. “Het probleem is juist dat een criticus die zegt voor de wetenschap te pleiten, zich niet aan de wetenschappelijke regels houdt ten gunste van morele regels.”

Kwalijker nog is het feit dat men de definitie van ‘misbruik’ eindeloos heeft opgerekt en er situaties mee aanduidt waarin er kennelijk geen enkel misbruik heeft plaatsgevonden. Deze houding is verre van wetenschappelijk, eerder moreel en ideologisch bepaald, hetgeen ook wel blijkt uit het sterk emotionerende woordgebruik van Spiegel dat vol zit met sterk overdreven termen (“dramatic overstatements”).  

Applied & Preventive Psychology, 2000 [*18]

De titel van het artikel van het Rind team geeft precies aan waar het hierom draait: “Wetenschap tegenover rechtlijnigheid” (“Science versus Orthodoxy”).
De auteurs beginnen weer met het overzien van de reeks aanvallen op hun werk en bespreken weer enkele onderzoekstechnische kwesties.

”Daarna spreken we meer in het algemeen over rechtlijnigheid en morele paniek; wij betogen dat ons artikel zo fel is aangevallen omdat het botste met een machtige, maar [slechts] sociaal geconstrueerde rechtlijnige manier van denken die zich in de laatste kwart eeuw heeft ontwikkeld.”

Zij herinneren aan eerdere aanvallen op de wetenschap, maar blijven van mening dat de wetenschap niet in Heilige Koeien mag geloven als daar geen bewijzen voor zijn. In de sociale wetenschappen gebeurt dit nogal eens dat men een onwetenschappelijke ideologie verdedigt. Het is toch wel gebleken dat de hele psychologie niet in staat is om adequaat met iets als de menselijke seksualiteit om te gaan. Men blijft hangen in ideologie en viel van daaruit ons artikel aan.

Er is een orthodoxie, een starre en rechtlijnige ideologie inzake kinderseksualiteit, eendrachtig in stand gehouden door feministen, kinderbeschermers en conservatieven. Deze hadden belang bij het idee van toegebrachte schade.

“Het vermogen van kinderen zich te herstellen is bij hen klaarblijkelijk niet welkom. Waar een hele industrie economisch en ideologisch afhangt van het idee van de schadelijkheid van vroege [seksuele] ervaringen, is een bewijs van het zelfherstellend vermogen van kinderen eerder een bedreiging dan goed nieuws. Economische en ideologische belangen hebben het huidige denken over seksuele ervaringen in de kindertijd [de auteurs blijven spreken van ‘kindermisbruik’] in de laatste 25 jaar gevormd; men kan er alleen maar mee omgaan als een probleem dat om behandeling vraagt. Dit verklaart het armzalige wetenschappelijke niveau en de in wezen morele aard van de aanvallen op onze meta-analyse. De felheid van deze aanvallen geven de kracht van die economische en ideologische belangen weer.”  

2000 & 2001: De derde ronde; nu wel gelezen, weer aangevallen en verdedigd

Sexuality & Culture, eind 2000  

Na het Rind team is David Spiegel weer aan de beurt [*19]. Hij zegt dat hij de meta-analyse in elk geval woord voor woord gelezen heeft. Hij blijft bij zijn tegenwerping dat het werken met gegevens van studenten juist de gegevens uitsluit van die mensen die, aangeslagen door het seksueel misbruik, nooit aan studeren toekwamen en ook van die mensen die qua sociaal-economische afkomst geen kans kregen te gaan studeren. Studenten, een elite, zijn doorgaans ook begaafder en daardoor misschien beter in staat de gevolgen van het misbruik te overwinnen. De ergste gevallen vallen dus buiten het onderzoek. Of zij zullen de gevolgen pas later merken.

De andere onderzoeken die in de meta-analyse gebruikt zijn kennen een zo brede definitie van ‘misbruik’ dat er ook en vooral de lichtere gevallen in voorkomen, waardoor de zwaardere gevallen als kleine minderheid naar voren komen. Ze zijn er intussen wel.

Na deze meer onderzoekstechnische kwesties komt de vrije wil van het kind opnieuw in het geding. Spiegel blijft bij zijn overtuiging dat een kind geen instemming kan betuigen met seksueel contact met een volwassene. “Terugblikkend kunnen sommigen wel zijn gaan geloven dat het contact vrijwillig was, maar in feite was dit het niet. […] Geen kind kan instemmen met seksueel misbruik. Rind c.s. hebben wellicht alleen het gegeven gevonden dat degenen die achteraf denken dat zij als kind ‘vrijwillig’ hebben deelgenomen aan seksueel contact, hier in hun volwassenheid minder last van hadden, ook al is een dergelijke instemming onmogelijk. […] Zij geloven kennelijk dat, als een student terugkijkend zegt dat het gebeuren vrijwillig was, dat dit ook echt zo was.”  

APA’s Psychological Bulletin, november 2001  

De APA wijdt een themanummer aan de kwestie. Twaalf tegenstanders krijgen het woord en het Rind team krijgt de gelegenheid tot repliek.  

Seks met kinderen is misbruik, Ondersma e.a.  [*20]  

Een duidelijke titel. De vijf schrijvers van het artikel 

“beargumenteren de juistheid van de term ‘misbruik’ als wetenschappelijk bruikbare term, die de algemene moraal weergeeft in plaats van tegenspreekt.”

De meta-analyse wordt eerst in een historisch kader geplaatst. Eerst werd het probleem van het misbruik ontkend, toen kwam het ineens boven water en kreeg het alle denkbare aandacht. Er kwam een reactie die vooral de overdreven beschuldigingen en een heksenjacht in de aandacht bracht. In die reactie is het meta-analyse te plaatsen. Deze zegt dat de overtuiging dat seksuele ervaringen in de kindertijd altijd en blijvend schadelijk zijn, algemeen is, maar algemeen is deze zeker niet. De mensen die in dit veld werken of onderzoek doen zijn veel genuanceerder dan de meta-analyse aanneemt. Zij onderscheiden terdege echt misbruik van wat dit niet is.

Dan volgen de onderzoekstechnische bezwaren. Een daarvan is dat het begrip ‘schade’ beperkt is tot wat men jaren achteraf schade noemt. Dit haalt de schade op korte termijn en de niet bemerkte schade uit de onderzoeksgegevens. Juist mannelijke studenten zullen niet snel toegeven dat ze ergens het slachtoffer van zijn. Ze houden zich flink.

De effectomvang mag dan gering gebleken zijn onder de vele duizenden deelnemers aan de onderzochte onderzoeken, waar deze wel aanwezig is betreft het nog altijd vele mensen. De effectomvang van het gebruik van aspirine op het voorkomen van hartinfarct is slechts 0.3%, maar we hebben het dan wel over honderden hartinfarcten die hiermee te voorkomen zijn. Dus hoe klein ook in statistisch opzicht, toch belangrijk in klinisch opzicht. Een statistisch geringe effectomvang heeft, zeker als deze slechts bij studenten is aangetroffen, voor de hulpverlening geen gevolgen: er blijven honderden cliënten met een probleem zitten.

Een vergelijking met masturbatie gaat niet op: masturbatie is ongevaarlijk, seksueel misbruik is dit naar aller overtuiging wel. Tegen die algemene overtuiging gaan Rind c.s. in onder het gezag van de APA. Geen wonder dat de mensen fel reageren.

De kwestie van definities is een lastige: wat is ‘een kind’, wat is ‘misbruik’? Je kunt de definitie van ‘misbruik’ niet beperken tot wat schadelijk gebleken is. Niet alles wat misbruik is, is aantoonbaar schadelijk, niet alles wat schadelijk is, is ook misbruik. 

“Uiteindelijk menen wij dat ‘mishandeling’ in brede zin het best [niet empirisch maar] sociologisch omschreven kan worden, [dus] zoals een bepaalde samenleving dit omschrijft.”

Hetzelfde geldt voor de vrije wil van kinderen. Die is er niet, zeker niet aangaande seks; daar is toch iedereen van overtuigd. Op dit uitgangspunt is onze maatschappij met haar kind-beschermende wetten zowat gebouwd. Dit uitgangspunt en deze wetten zijn ook empirische feiten. Ze vormen een meer solide basis dan het standpunt van een kleine minderheid. Een minderheidsgroep als NAMBLA gaat ermee op de loop. Een neutrale term ontkent dit stuk werkelijkheid.
Zeker, men mag wetenschap en moraal wel onderscheiden, maar niet scheiden. Een wetenschapper draagt ook verantwoordelijkheid voor wat mensen met de gevonden gegevens kunnen doen. Ze zouden zich er in een rechtszaak op kunnen beroepen (hetgeen de APA in een verklaring heeft trachten te voorkomen).  

De gevolgen van seksueel misbruik, Dallam e.a. [*21]

Dit artikel is geschreven door zeven mensen, waaronder vijf leden van de eerder genoemde Leadership Counsel, waaronder we ook David Spiegel weer tegenkomen.

Het artikel gaat zeer gedetailleerd in op onderzoekstechnische en statistische kwesties, te veel om hier allemaal te vermelden. Denk aan de keuze van de formule om de effectomvang te berekenen, de keuze van de variabelen, de factoren, de meetinstrumenten, de definities. De belangrijkste zijn al eerder genoemd: het werken met steekproeven bestaande uit studenten (de elite), de manier om schade vast te stellen (slechts achteraf en subjectief bepaald) en het breed opvatten van wat ‘misbruik’ is zodat er veel lichte gevallen in de analyse zijn betrokken. Men kijkt opnieuw naar de gegevens, legt er andere gegevens nog eens naast en komt dan tot andere conclusies. 

“In elk geval mag men niet uit dit onderzoek concluderen dat er in een individueel geval van seksueel misbruik geen sprake is van schade.”  

Wat (mij) opvalt, is de volledig andere toon van schrijven, in vergelijking met de vorige periode van het debat. Men heeft nu kennelijk heel nauwkeurig gelezen, van alles nog eens nagerekend en opgezocht in de originele bronnen, men legt er andere bronnen en onderzoeken nog eens naast. Men neemt de cijfers nu serieus, men neemt de meta-analyse en haar schrijvers nu serieus. Met een aantal gegevens en conclusies stemt men in.

Opvallend is ook dat de invalshoek hier, in tegenstelling tot die in het vorige artikel, niet moreel-ideologisch is, maar onderzoekstechnisch-wetenschappelijk.

De eindconclusies zijn zelfs bescheiden en heel zakelijk in een tabel neergezet. Natuurlijk zijn er nuances aan te brengen in de conclusies, maar dit is iets anders dan ze simpelweg van tafel te vegen. Natuurlijk mag men niet over een individueel geval concluderen op grond van een 59 verschillende onderzoeken onder duizenden mensen.

“Hoewel wij het eens zijn met Rind c.s. dat seksueel misbruik van kinderen niet onvermijdelijk bij iedereen leidt tot blijvende en intense schade, verschillen onze conclusies […] met die van hen [...]”
”Langdurige schade is niet onvermijdelijk, zoals eerder onderzoek ook al aantoonde.” ‘Ze kunnen er intussen wel zijn, maar dit staat ook in de meta-analyse vermeld, al zijn ze o.i. onderschat, mede door de keuze van de onderzoeksgroep.’ 
[Citaten tussen dubbele aanhalingstekens zijn vertaald, die tussen enkele aanhalingstekens zijn kort omschreven. Wat zonder aanhalingstekens staat is samengevat.]

”Schade door seksueel misbruik is vermoedelijk ontstaan door gezinsproblematiek. Inderdaad, beide verschijnselen zijn zo verweven dat je hun invloed niet meer kunt onderscheiden in een onderzoek dat met een terugblik werkt.”

”Inderdaad, mannen rapporteren minder schadelijke gevolgen. Maar ze hadden ook minder ernstige ervaringen. Wat mannen zeggen over zichzelf, klopt niet altijd met de feiten als die objectief gemeten worden.” 
‘Wij vonden minder verschillen tussen mannen en vrouwen dan de meta-analyse deed.’

De effectomvang moge gering zijn, deze is dit ook bij het verband tussen roken en longkanker (.017). Maar voor de roker zelf ligt de kans beduidend hoger – en tel maar eens het aantal doden, ondanks die geringe bewezen effectomvang. Een effectomvang moge gemiddeld laag zijn, in bepaalde groepen of gevallen is deze hoog. Je mag statistiek niet gebruiken om die gevallen of de ernst ervan te ontkennen.

De onenigheid betreft opnieuw de kwestie van de vrije wil. De schrijvers plaatsen het woord ‘instemming’ steeds tussen aanhalingstekens (‘ “willingness” ‘). Deze is, zo zegt men, nergens rechtstreeks en objectief vastgesteld. Als de vrijwillige contacten echt beter afliepen, en je neemt een onderzoeksgroep van “gewenste” en ongewenste ervaringen samen, dan zou de samenhang, de correlatie, in minstens een deel van de mogelijke correlaties, nul moeten zijn. Dit is echter niet het geval.  

Feiten en moraal  

Hier zie je de ideologische kwestie in meer objectief-wetenschappelijke terminologie gegoten. Men belijdt niet opnieuw de overtuiging, men kijkt nu naar de cijfers. Dit is het verschil in benadering en intonatie dat mij opviel.

Wie een goede moraal wil ontwikkelen, doet er goed aan eerst eens even naar de feiten te kijken. Voer die discussie eerst, ga dan over tot een ander type discussie, die over de moraal.
Voor wie alcohol en tabak wil toestaan en cannabis wil verbieden, zoals de huidige samenleving doet, doet er goed aan te weten dat alcohol en tabak gevaarlijk zijn en cannabis vrijwel niet. Maar, zoals we aan de wetten wel kunnen zien, gaat de moraal vaak haar eigen weg. Dit mag ze ook doen. Ik mag weten dat vlees en vis gezond zijn, maar er toch zelf voor kiezen deze gerechten niet te eten. Publieke moraal gaat ook haar eigen weg en laat zich moeilijk veranderen. Nieuwe feiten kunnen een bedreiging vormen voor wie haar per se wil handhaven.

Het punt is wel dat men beide typen discussie goed uit elkaar dient te houden. Het VS Congres en de tegenstanders van het Rind team deden dit doorgaans niet; zij verwarden het gesprek over de feiten met het gesprek over de moraal. Het Rind team onderscheidde dit wel en het ziet er naar uit dat ook de tegenstanders nu dit verschil in acht nemen. De toon van het debat is in deze derde fase namelijk heel wat rustiger en nuchterder dan in de eerste fase het geval was. Men lijkt nu naar de feiten te willen gaan kijken. Of men de moraal dan wil veranderen? Dit kan nog wel even duren. Het is een ander proces. Dat is een verhaal dat later maar eens verteld moet worden, ooit, als het geschiedenis is geworden. Wij keren nu vooralsnog terug naar de feiten zoals deze in de derde fase van het debat zijn besproken.  

Het weerwoord van het Rind team [*22]  

“De auteurs tonen aan dat deze aanspraken [de hierboven genoemde bezwaren] ongeldig zijn. In tegendeel, zij tonen heel wat fouten aan in de kritiek van Dallam e.a.
Ondersma e.a. stellen het onderzoek van Rind c.s. voortkomt uit verzet tegen de psychotherapeutische praktijk, dat hun opmerkingen over de definities van ‘misbruik’ onwetenschappelijk zijn en dat er een  morele code nodig is om kindermisbruik wetenschappelijk te kunnen vatten. De auteurs tonen aan dat hun uitspraken wetenschappelijk verantwoord zijn en zij betogen dat de opvattingen en de morele code van Ondersma e.a. onwetenschappelijk zijn.
Deze repliek ondersteunt de oorspronkelijke methode, analyse, aanbevelingen en conclusies van Rind e.a.”  

Op de vele onderzoekstechnische kwesties kunnen we hier niet ingaan. De auteurs excuseren zich voor hun uitvoerigheid en gedetailleerdheid dienaangaande. De intonatie waarin zij e.e.a. verwoorden is die van een groot gemak en een grote kennis van zaken en literatuur waarmee zij de vele statistische kwesties bespreken. Zij vinden overal een antwoord op.
Aan Dallam e.a. verwijten zij, behalve een serie fouten in het omgaan met statistiek, erg selectief te zijn omgegaan met ander onderzoek en met gegevens en citaten uit de meta-analyse. Als deze in hun betoog van pas kwamen werden ze vermeld, als dit bij andere onderwerpen niet het geval was werden dezelfde onderzoeken, gegevens of citaten in het geheel niet vermeld.  

De brede definitie van ‘misbruik’ is niet aan de auteurs te wijten, maar aan de auteurs van de oorspronkelijke onderzoeksverslagen. Inderdaad zou die definitie scherper moeten zijn, evenals die van ‘schade’. Nu wordt zowel een ervaring die ‘even onplezierig was’, als een die echt erg was, “traumatisch” genoemd. Men vermijde dit soort overdrijving (“overstatement”). Dit verhindert het zicht op de werkelijke traumatische gevallen.  

Critici die uitgaan van de notie van ‘er is altijd schade; als je ‘m niet ziet is hij er toch’ of ‘er kan geen vrijwilligheid bestaan; als men zegt dat die er is, dan is die er toch niet’,  overtreden Popper’s falsificatie-eis aan wetenschappelijk onderzoek. [Deze houdt het volgende in: je moet een stelling, hypothese of conclusie zo formuleren dat zowel de waarheid ervan als de eventuele onwaarheid ervan aangetoond kan worden. Bij de bovenstaande beweringen zijn bevestiging en falsificatie beide onmogelijk, dus zijn deze uitspraken onwetenschappelijk.]  

Ook op het meest heikele punt, de instemming, gaan zij uitvoerig in. Zij leggen nog eens uit dat het om ‘instemming zonder meer’ gaat en niet om ‘instemming met kennis van feiten’. Het woordenboek komt er nog even bij en zij zeggen dat het eerste soort instemming alom in de samenleving als feit erkend is. Ook in gerenommeerd onderzoek inzake seksuele zaken wordt dit type instemming door velen als feit erkend. Slechts enkelen beweren, maar dan op grond van een morele stellingname vooraf, dat het niet mag, dus niet kan bestaan en ‘dus’ ook niet bestaat. Dit is moreel standvastig, maar onwetenschappelijk.

Het tweede type instemming is wetenschappelijk nooit echt onderzocht, maar ieder gaat er van uit dat het bestaat. Er zijn geen problemen met dit begrip in allerlei maatschappelijke situaties, alleen in het geval van seks rijzen de haren omhoog. Kinderen, zo zegt men, kunnen dit tweede soort instemming nooit geven want zij kennen de feiten niet (in het Amerika waar seksuele voorlichting zowat verboden is). Vele landen denken daar echter heel anders over. Men zou dit punt nu juist eens wel moeten onderzoeken, maar dan niet alleen in het Amerika van nu als het ook om seks gaat.  

Het is zeker niet onwetenschappelijk om, als je iets onderzoekt, ook naar andere landen, tijden en culturen te kijken. Om slechts de eigen samenleving van nu als norm te nemen en dingen slechts te definiëren zoals ze in de eigen samenleving nu worden opgevat, wat Ondersma e.a. willen doen, is bepaald niet wetenschappelijk. Dit geldt zeker voor een onderwerp als seksualiteit, dat meer dan andere zaken sterk aan culturele invloeden en dus schommelingen onderhevig is.

Het argument van ‘de wet zegt immers…’ gaat al helemaal niet op, want wetten verschillen te veel per land of staat, per tijdperk en per onderwerp en ze spreken elkaar herhaaldelijk tegen. Een minderjarige kan en mag met van alles en nog wat instemmen, maar niet met een seksuele verhouding. Dezelfde wet gaat in tal van kwesties uit van de capaciteit van tieners om goede beslissingen te nemen. Ook de APA heeft dit gezegd op grond van ontwikkelings-psychologisch onderzoek waaruit blijkt dat ook jonge tieners dit kunnen. In die zin is het erg onlogisch om ook bij oudere tieners, adolescenten, bij ieder seksueel contact van “kindermisbruik” te spreken.  

“Het slachtoffermodel heeft zowat alle onderzoek op dit gebied de laatste 25 jaar gedomineerd. Het model mag zijn plek hebben, maar het heeft een erg hoog ideologisch gehalte. Onderzoekers dienen zich niet verplicht te voelen om hun onderzoeksopzet, hun analyse en hun conclusies tot dit model te beperken. Zij zouden eerder andere  modellen in overweging moeten nemen. Die benadering zou het onderzoek naar seksueel misbruik en wat dit teweegbrengt op een hoger plan kunnen brengen dan het werk- en denkmodel (“paradigma”) dat nu in dit werkveld domineert.”  

2002: Het debat gaat door

Rind  

Bruce Rind publiceerde in november 2001 nog een geheel nieuw onderzoeksverslag. [*23].

“In de loop van de laatste vijfentwintig jaar is het incestmodel, met zijn voorstelling van hulpeloze slachtoffers die worden uitgebuit en getraumatiseerd door machtige daders, de opvattingen over zo goed als alle vormen van seks tussen volwassenen en minderjarigen gaan overheersen. Daarom worden zelfs gewenste seksuele relaties tussen homo- of biseksuele jongens en volwassen mannen, die in verscheidene belangrijke opzichten verschillen van incest tussen vaders en dochters, algemeen door het grote publiek en door beroepsmatig betrokkenen beschouwd als traumatiserend en psychisch schadelijk. 

Dit onderzoek bekeek deze algemene opvatting door een niet-klinische, merendeels uit studenten bestaande, steekproef van homo- en biseksuele mannen te onderzoeken.

[..] We moeten naar een ander model zoeken, dat ook ruimte biedt aan het vastgestelde feit dat tienerjongens doorgaans neutraal of positief reageren op leeftijdsongelijke seksuele relaties die zij vrijwillig zijn aangegaan met volwassenen van het geslacht van hun voorkeur.”  

American Psychologist, maart 2002 [*24]  

Een themanummer met allerlei bijdragen over het debat rond de meta-analyse en met name de rol van de APA en de politiek hierin. Dit nummer brengt het debat over de meta-analyse (analyse van analyses) op het niveau van een meta-debat (debat over een debat). De scherpste kanten zijn er daarmee af, er wordt nu rustig nagedacht en bedachtzaam geschreven, zo is mijn indruk van de abstracts ervan; ik heb het nog niet kunnen lezen. Een van de schrijvers is de eerder genoemde Lilienfeld, wiens artikel door de APA was geweigerd. Kennelijk heeft hij bij een meer kritische vereniging dan de APA nu onderdak gevonden. Er is meer onder de zon dan APA alleen.  

Dallam, The Journal of Child Sexual Abuse, Spring 2002  

“In een artikel [..in dit nummer..] beschrijft [en bekritiseert] Dallam een belangrijke strategie om de pedofilie te normaliseren, namelijk om de term ‘seksueel misbruik van kinderen’ te beperken tot die gevallen waarin er feitelijke schade is aangetoond, dus niet alleen verondersteld.” [*25a]  

Ah! Het artikel is er al! [*25b]. [Later toegevoegde tekst]

“Het doel van dit artikel is te onderzoeken of Rind e.a. het beste gekenschetst kan worden als ongebruikelijke wetenschap of als propaganda voor pedofilie.”

“[…] de visie van de auteurs op seks tussen volwassenen en kinderen heeft meer gemeenschappelijk met de ideologie van propagandisten voor ‘intergenerationele’ seksuele relaties dan met de beredeneerde ideeën van de meeste andere wetenschappers die dit onderwerp bestudeerd hebben.”

”Na een nauwgezet onderzoek naar het bewijs, kan de conclusie worden getrokken dat [het artikel van] Rind e,a, het beste beschreven kan worden als een vorm van propaganda die ten onrechte wetenschap gebruikt in een poging de bevindingen te legitimeren.”  

Het ‘bewijs’ is dit: Rind’s ideeën komen overeen met die van degene die pedofilie propageren, dus propageren Rind e.a. [slechts] pedofilie [dus hoef je hen niet serieus te nemen].

Markant genoeg worden wel de bovengenoemde artikelen van Dallam e.a. en van Ondersma e.a. (die Rind e.a. bekritiseren) genoemd, maar wordt het artikel waarin Rind e.a. in hetzelfde nummer van hetzelfde tijdschrift hun repliek geven helemaal niet vermeld, niet in het artikel en niet in de literatuurlijst.

Vergelijk dit met wat hierboven is gezegd: 

“Aan Dallam e.a. verwijten zij, behalve een serie fouten in het omgaan met statistiek, erg selectief te zijn omgegaan met ander onderzoek en met gegevens en citaten uit de meta-analyse. Als deze in hun betoog van pas kwamen werden ze vermeld, als dit bij andere onderwerpen niet het geval was werden dezelfde onderzoeken, gegevens of citaten in het geheel niet vermeld.” 

We zien dit hier precies in werking bij dezelfde Dallam, het is duidelijk te zien aan haar literatuurlijst (waarin, dit terzijde, nogal wat Nederlandse auteurs en zelfs artikelen voorkomen). De lezer mag kennelijk geen weet hebben van die repliek.

We zijn, zo lijkt het hier, qua niveau van argumentatie, weer terug in de eerste ronde van het debat.  

Levine  

Judith Levine wordt het volgende doelwit van de politiek correcte tegenstanders – zij is dit eigenlijk al. Haar boek [*26] [*26a] heb ik hier, gloednieuw en met de inkt nog te ruiken, voor mij liggen, maar al ver voor het boek zelfs maar gedrukt was en dus gelezen kon worden, begonnen de artikelen, de hate-mails, de tegenstand van politici, de eisen tot haar ontslag aan haar universiteit. Ook deze universiteit echter gaf geen krimp en verdedigde de academische vrijheid met verve. “Verbrand het boek voor het gelezen kan worden,” luidt de titel van een artikel dat deze storm-vooraf beschrijft [*27]. Gratis reclame dus weer, want de eerste druk was al uitverkocht voor het boek was gedrukt en er schijnt nu een lange wachtlijst te zijn. Gelezen zal het dus wel worden. Er zijn ook positieve commentaren verschenen [*28].  

Het boek beschrijft, kort gezegd, dat de manier waarop de Amerikaanse samenleving haar jeugd tracht te beschermen tegen seksualiteit, deze jeugd meer kwaad dan goed doet. Zij beschrijft de censuur, de heksenjacht, de verplichte behandeling van kinderen die iets aan seks deden, het ontbreken van voorlichting, de campagnes voor kuisheid en seksuele onthouding… en het hoge aantal tienerzwangerschappen en abortussen. Zij bepleit een geheel andere, positievere, houding ten opzichte van seksualiteit en, over moraal gesproken in dit artikel, een andere moraal.

Ik heb het boek echter nog niet kunnen lezen, dus wil ik het hier bij houden. [Zie echter *26a]

De lezer heeft genoeg lettertjes te verstouwen gehad en haaste zich naar zijn of haar scherm om de noten eens ‘even’ langs te lopen. Het artikel is, ook in een Engelse versie, op het Internet te vinden [*29] met, hopelijk, alle links goed werkend. Er valt daar nog een hoop te lezen.

Lectori salutem

Start Omhoog