Start Omhoog

Kan individuele begeleiding binnen de leefgroep?

Frans Gieles
Studiedag V.V.J.G. Oost-Vlaanderen, Sector Bijzondere Jeugdzorg
12 mei 1989

Kan individuele begeleiding binnen de leefgroep?

Ja, mits ...

Over dat mits wil ik het vandaag hebben, over de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om aan individuele begeleiding te kunnen doen.

Als aan die voorwaarden voldaan is, dan loopt het wel. Als aan die voorwaarden niet voldaan is, heeft een behandelingsplan geen enkele kans.

Over individuele begeleiding bestaat er geen eensgezindheid, over de voorwaarden die individuele begeleiding mogelijk of onmogelijk maken veel meer.

Het doel van ons werk is hulpverlening

Contact is een sleutelbegrip in ons werk. Contact wortelt in de leefgroep.

Het begrip contact kwam naar voren in gesprekken met opvoeders. Dat is ook de bron van waaruit ik hier kom spreken.

In de afgelopen jaren leidde ik een onderzoek naar verbetering van het leefgroepsklimaat. Dit onderzoek had plaats in elf leefgroepen in Nederland en België. Opvoeders en groepsleiders vertelden over hun werk. Vele verhalen gaan over conflicten. Van deze verhalen werd ook een verslag gemaakt dat nadien geanalyseerd werd. Zo werd geprobeerd om vanuit de werksfeer een methodiek te ontwikkelen.

Een tweede bron is mijn jarenlange ervaring. Ik ben als groepsleider begonnen en de laatste jaren heb ik veel jongeren in huis gehad die vaak in hun laatste fase naar zelfstandigheid toe waren.

Ik vind dit een aanvulling op mijn boek: "Groepsleider een vak apart" dat te weinig over conflicten en over de kansen tot individuele begeleiding gaat.

Hoe ben ik te werk gegaan?

Ik heb steeds actief geluisterd en dan alles opgeschreven.

Ik wil vooraf ook stellen dat diegenen die voor jou en jouw

werksituatie een passende methodiek kan ontwikkelen alleen jij zelf bent.

Als leidraad voor deze namiddag zullen .we de tien vragen die jullie hebben gekregen, gebruiken.

Vragen

1. Hoe kun je dat eigenlijk doen: contact leggen?

2. Wat is dat eigenlijk: goed contact?

3. Wat bedoel ik met "individuele begeleiding of hulpverlening" en hoe doe ik dat?

4. In welk leefgroepsklimaat zou het het beste mogelijk zijn om individueel contact te leggen?

5. Hoe kan ik aan dat klimaat werken?

6. Hoe kun je in moeilijke situaties (lastig gedrag, conflicten) het contact toch handhaven, onderhouden, verbeteren?

7. Als er individuele contacten zijn tussen groepsleiders en bewoners t hoe ga je dan om met:

vertrouwelijkheid (rapportage)

collegialiteit

ouders?

Kun je contact ook delen en overdragen?

8. Zijn er fasen in dat contact: begin, crises, afscheid, enz. en hoe ga je daar goed mee om?

9. Hoe ga je om met je eigen gevoelens die je in dat contact opdoet t goed om?

10. Hoe ontwikkel je je eigen methodiek als werker, als team, als tehuis?

Contact

Wat is contact?

Contact is dus een sleutelwoord in ons werken. Als ik een poging doe om een wetenschappelijk verantwoorde definitie van contact te geven, zou ik dat als volgt kunnen doen.

Contact is de beleving die bij één of beide communicatiepartners ontstaat, in of na een communicatieve reeks waarin boodschappen uitgewisseld, ontvangen en herkend zijn (blijkens feedback) in het eigen belevingskader.

Kenmerkend is een beleving van (de mogelijkheid tot) van de één tot de ander, van een (mogelijke) verkleining van de afstand.

Contact kent gradaties: van 'contact zoeken of contactbereidheid' tot 'contact hebben', alsook gradaties van éénzijdig tot twee/meerzijdig.

Contact is ritmisch van aard en beweegt zich voortdurend tussen twee polen waarop geen sprake is van contact, namelijk:

isolement (afstand oneindig) en

versmelting (afstand nul).

Vanuit verhalen van groepsleiders zou een definitie er als volgt uitzien:

Een wederzijdse blik in elkaars innerlijk, dat begrepen en serieus genomen wordt. En niet alleen van de lieve kanten van dat innerlijk, juist ook van de scherpe kanten, de grenzen van wat je wel en niet wilt. Vooral de wil is erg belangrijk.

Wat is het innerlijke?

Het innerlijke dat zijn

behoeften

belangen

wil

gevoelens

Een voorbeeld:

De school eindigt om 12 uur. Iedereen wordt om 12.15 uur verwacht voor het middagmaal. Een kwartier na een moment van onrust, gestommel, ruziën. Ook aan tafel vertonen sommigen nog een onrustig gedrag.

Wat is nu contact?

De rode lijn hierin is de lijn van de boodschap. De kinderen zenden een boodschap uit,

een boodschap van hun behoeften: ze hebben geen honger, ze willen iets anders

een boodschap van hun wil: ze willen iets anders.

 

Kinderen zeggen niet alles zoals wij dat misschien doen. Kinderen zetten innerlijke taal om in doen en laten en zenden op die manier een boodschap uit. De kunst is om die boodschap te vertalen, om die boodschap te herkennen en in een tweede stap te erkennen.

Vergelijk maar: Als de telefoon rinkelt, denken we ook niet: "ha,een belletje". We weten dat iemand ons nodig heeft.

Bij het erkennen van de boodschap is ons eigen referentiekader van groot belang. Er is bijvoorbeeld een verschil als wij vinden dat kinderen moeten opgevoed worden ofwel tot deugdzame burgers, ofwel als vrije burgers.

De kunst is bovendien een boodschap terug te zenden. Pas als de cirkel rond is, heb je contact. Zie de cirkel van het contact  hierboven.

Bovendien is het bij het terugzenden van een boodschap erg belangrijk dat deze goed vertaald is, dat deze vertaald is in de taal van het kind.

Een voorbeeld:

Ronny verbleef zijn eerste dag in het tehuis. In het tehuis was er een uur van slapen gaan vastgesteld, en het was niet gebruikelijk dat daarvan werd afgeweken. Toch kwam Ronny vragen of hij vroeger naar bed mocht. De opvoedster vond dit goed en de andere jongens zagen hoe ze Ronny speciaal knuffelde voor hij in bed ging. Blijkbaar vonden ze dit niet gek, want ook zij kwamen vragen om naar bed te mogen. De volgende morgen vroeg Ronny aan de opvoedster wanneer het weer haar beurt om te werken was.

In het volgende voorbeeld gaat het verkeerd. Het kind zendt een boodschap uit, doch de opvoedster herkent die niet. Ook de opvoedster zendt een boodschap uit, maar vanuit haar eigen referentiekader dat in het geheel niet aansluit bij de leefwereld van het kind. Er is geen contact.

Het was mooi weer en de opvoedster stelde voor om speelkledij aan te trekken en naar buiten te gaan. Peter bleef wat langer binnen dan de anderen en de opvoedster maande hem aan tot spoed. Toen zag ze onder het bed een fles liggen en zei tegen Peter dat hij die in de kast moest zetten. Peter zuchtte, nam de fles en plaatste ze naast de kast. De opvoedster vroeg wat er in de fles zat. Peter zuchtte en antwoordde: "ach, limonade of zoiets". Daar de opvoedster vond dat het er maar een vies goedje uitzag, beval ze Peter de fles leeg te gieten. Peter deed dit al zuchtend en plaatste de lege fles op de vensterbank.

De opvoedster was ondertussen met Doortje bezigt maar de geur vertelde haar dat er urine in de fles gezeten had. Ze vroeg Peter waarom hij gelogen had. Weer zuchtte Peter diep en zei dat hij 's nachts schrik had om naar het toilet te gaan. De opvoedster vroeg nog een keer waarom hij eerst gelogen had en toen vertelde Peter dat hij schrik had dat er ruzie zou komen.

(Peter zendt steeds signalen uit.)

De volgende dag had Peter nieuwe lakens gelegd omdat hij in bed geplast had. De opvoedster vroeg wat er dan van die fles was en Peter zei dat hij tweemaal gemoeten had. De opvoedster herkende Peter's boodschap niet, juist omwille van zijn houding gelooft ze hem weer niet. Ze zei dan ook dat ze zijn liegen wel kon missen. Waarop Peter antwoordde dat dit alleen bij haar gebeurde en nooit bij juffrouw Carla.

Het leek of hij alles deed om de opvoedster kwaad te krijgen. Ze vroeg zich af wat ze verkeerd deed. Dan deed Peter of ze niet bestond.

Nadien deed Peter alles wat de opvoedster vroeg. Zij vond dit normaal. Ze liet hem wel voelen dat ze met zijn achterbaksheid niet gediend was.

Later dacht ze dat ze het misschien beter uitgepraat hadden.

Het kind zendt steeds signalen uit. De opvoedster herkend geen enkel signaal. Ze kan dus ook geen verstaanbare signalen terugzenden.

 

Een mens geeft zich niet zo snel bloot. Hij trekt een beschermend schild op waarachter hij zich kan verschuilen, zijn gedrag.

Een kind verstaat de kunst om gaten te prikken in ons gedrag. Wij verstaan de kunst door het gedrag van het kind heen te kijken.

Wij allen, kinderen en opvoeders zijn niet altijd gezellig en vrolijk. Ieder mens heeft zijn zonnekant, maar ook zijn schaduwkant.

Contact ontstaat dikwijls in de zonnekanten. Het contact dat nodig is om hulp te bieden is het contact inclusief de schaduwkanten. Ook de schaduwkanten van de opvoeder. In het vorige voorbeeld wil de opvoedster niets te maken hebben met de schaduwkanten van het kind. Hulpverlenend contact houdt echter in dat ook de schaduwkanten ontmoet mogen worden.

Het was zondagnamiddag. De meeste kinderen zaten in de zithoek. Er heerste een vriendelijke sfeer. ik stelde voor dat we zouden afspreken wat we zouden doen. Iedereen begon door elkaar te praten. Ik riep dan maar dat ik wel alleen zou beslissen.

De kinderen laten eerst hun zonnekant en dan hun schaduwkant zien. De opvoedster ook. Ze laat haar schaduwkant, haar grens, haar innerlijke zien. De kinderen zien zo dat de opvoedster niet alleen leuke kanten heeft, maar dat zij het ook moeilijk kan hebben.

De kinderen vroegen wat er scheelde, ze begrepen niet dat ik begon te roepen omdat ik boos was.

Nadien hebben we toch samen beslist dat we zouden fietsen en go-carten. En iedereen wachtte geduldig zijn beurt af.

Een contact bepaalt de hele namiddag. Contactmoment = je grens laten zien. De opvoedster maakte een opening naar de kinderen toe, ze begrepen dat ze ook een mens is, net als zij.

Na het avondmaal was er tijd voor keuzeactiviteiten. Intussen kwamen ook de verloffers terug. Vanavond ga ik me nog eens extra bezighouden met Ronny, dacht ik.

De opvoedster doet aan individualisering

Ik liet ze rustig uitbollen voor het slapengaan.

's Morgens sliepen de meeste nog als ik binnenkwam. Ronny was weer nat na een hele tijd droog te zijn geweest, mijns inziens omdat hij daarover thuis in spanning is.

Aan de deur ontstond er een conflict tussen Gerd en Michael over wie het dichts bij de deur mocht staan. Ze begonnen te stampen en te gillen.

Ze tonen hier hun schaduwkanten.

Michael komt steeds op het conflict terug. Gerd geeft toe wat hij gedaan heeft. Ik blijf in de buurt van Michael en wachtte tot hij uitgeraasd en weer rustig was. Zo kon hij kalm zijn relaas van de feiten doen. Michael was voor de rest van de dag redelijk.

De opvoedster gaat op een zodanige manier om met de schaduwkanten van de jongere, dat het contact behouden blijft. Michael mag ook bij de opvoedster blijven. Ze accepteert zijn woede van ongecontroleerd voelen. Nadien gaat het heel lang goed, dagen tot weken.

Nog een voorbeeld.

Het gebeurde onder het eten. Steven zat aan de eerste tafel, stond plots op, nam zijn eten en ging aan de tweede tafel zitten. Ik zei hem dat er maar vier personen aan één tafel mochten zitten en dat hij terug naar de eerste tafel moest verhuizen. Hij grabbelde kwaad alles bij elkaar en ging weer aan de eerste tafel zitten. Zijn gedrag maakte me boos en ik stuurde hem naar zijn kamer.

Na vijftien minuten was hij terug en ging aan de eerste tafel zitten. Ik zei tot Steven dat hij eigenlijk gelijk had, er waren maar zes kinderen aanwezig die dag. Ik ging naar de eerste tafel om met Steven te praten.

De leidster laat haar schaduwkanten, haar kwaadheid en onredelijkheid zien.

Tot hier het antwoord op de vragen wat is contact, hoe leg je het, hoe handhaaf je het? Of althans de richting waarin de antwoorden te vinden zijn.

Wat is aandacht?

Aandacht is het eindeloze, oeverloze, bodemloze en in eerste aanblik inhoudsloze vragen om in het middelpunt van de aandacht van de groepsleider te staan, zonder dat dit vorm krijgt of iets oplevert.

Mannelijke leiders wisten zich bijvoorbeeld geen raad met de houding van oudere minderbegaafde meisjes. Het eigenlijke gedrag van deze meisjes was anders dan van actieve, bengelachtige kinderen. De kunst bleek hun eeuwige vragen om te zetten in vragen naar zorg, feestjes, maaltijden, kledij, gesprek, gevoelens, ...

De kunst bleek hun voortdurende vragen om te zetten in actie. Niet dat soort actie waarbij kinderen actief bezig zijn en de leiders toezicht uitoefenen, maar in het samen actief zijn. Dit bood de mogelijkheid om tot een begin van contact te komen.

Diep contact bekom je wanneer je goed weet om te gaan met conflicten, met schaduwkanten.  

AANDACHT: Het eindeloze, oeverloze, bodemloze en in eerste aanblik inhoudsloze vragen om in het middelpunt van de aandacht van de groepsleider te staan t zonder dat vorm krijgt of iets oplevert.

CONFLICT: De botsing met de grenzen van wat ik als groepsleider aanvaardbaar vind.

CONTACT: Een wederzijdse blik in elkaars innerlijk, dat begrepen en serieus genomen wordt -en niet alleen van de lieve kanten van dat innerlijk, juist ook van de scherpe kantent de grenzen van wat je wel en niet wilt. Vooral de wil is erg belangrijk. 

Contact wortelt in de leefgroep

In verschillende leefgroepen heersen verschillende klimaten. Welk soort klimaat is er nodig opdat contact leggen mogelijk wordt. Welke eisen stel je aan klimaat?

Individualisering en regulering zijn altijd nodig in een groep. De vraag is echter hoe dit te regelen. Als alles geregeld wordt in een vorm van éénvormigheid, smoor je contact. Als alles geregeld wordt in een vorm van meervormigheid, wordt contact mogelijk. Reguleer zo dat de individualiteit, de kleur van elk kind naar voor kan komen. Gun kinderen wat verschil.

Bijvoorbeeld:

opstaan tussen 7.00 en 7.30 uur

maaltijden:

tafel met subgroepjes

soort aanschuifsysteem

twee soorten groenten

keuzeactiviteiten

bedtijd: groepjes van tijdstippen

 

Als de verschillende individuen zich kunnen uitleven, kan dit alleen maar ten goede komen aan het klimaat. Dit geldt ook voor het team. Ook het team is een klaverblad van kleurrijke, boeiende, individuele personen.

Zorg voor differentiatie en individualisering zowel voor de kinderen als voor het personeel. Als men zich meer als persoon kan ontpoppen, wordt de mogelijkheid tot contact vergroot.

Regels zijn echter nodig. Regels dienen de rechten van het individu te beschermen (vgl. het burgerlijk wetboek)

Bij mij thuis zijn de laatste jaren veel kinderen geweest. Ook bij mij waren een aantal regels na te leven, regels die soms in tegenstelling staan met deze gangbaar in de maatschappij. Bijvoorbeeld: jong gaat voor oud - dom gaat voor slim.

Regels moeten ruimte bieden (en niet beperken) aan individuen. Regels moeten ook ruimte geven aan schaduwkanten.

Hoe kun je aan zo'n klimaat werken?

Een voorbeeld.
In de groep uit dit verhaal was contact aanvankelijk afwezig. Deze groep had een bepaalde behandelingsfilosofie. Het was een behandelingstehuis voor stoornissen, relatiestoornissen.

Hoe was de behandeling opgebouwd?

Eerst was er een voorbereidende fase. Men vond dat er eerst een behandelingsrijpheid nodig was. De kinderen moesten zich veilig voelen om een relatie te kunnen aanknopen en zo inzicht te krijgen in hun stoornis. Omdat de kinderen niet in staat waren tot relaties wilde men hen veiligheid laten vinden in structuren. Toch is in deze groep het woord contact uitgevonden. Blijkbaar waren de kinderen toch wel in staat tot het opbouwen van relaties.

In deze groep waren de leiders vooral oppassers. Er waren veel regels. Men lette steeds op het gedrag. Met rampzalige gevolgen.

De jongens gingen een soort stofwolk creëren. Doordat je structuren boven contact stelt, schep je een stofwolk. De conflicten rezen de pan uit. de groep ging zich structureren en aan de top kwam een trio te staan. De sterksten waren de baas geworden. De leiders konden met dit trio enkel omgaan als vijand, door strijden, door hen apart te zetten. Doch de drie losten alles zelf op. Als er één werd buitengezet, zorgden de anderen ervoor dat zij ook buitenvlogen. Zo waren ze weer samen.

Toch werd er in twee maanden contact gelegd.

Wat werd er dan gedaan om dit vijandig klimaat om te bouwen en tot contact te komen?

1. Er werd anders omgegaan met conflicten. Conflicten werden in de groep aangepakt.

2. Men gaf steun aan allen. Er werd geen onderscheid meer gemaakt tussen "positievelingen" en "negatievelingen".

3. Er werd veel gepraat, er werden veel groepsgesprekken en veel kleine gesprekken gehouden.

4. Leiders lieten de jongens niet iets doen, maar deden zelf mee.

5. Er werden grenzen gesteld als persoon.

Eénvormige duidelijkheid werd niet gevoeld. Een persoonlijke duidelijkheid - wat is voor jou belangrijk, wat zijn jouw grenzen - werd veel meer aangevoeld. Hoe meer persoonlijke duidelijkheid er door de groepsleider gegeven werd, hoe beter dit door de jongens werd opgepakt.

Het is heel goed werkbaar dat de ene groepsleider wat losser is dan de andere.

6. De groepsleiders maakten minder gebruik van macht en overwicht, maar meer van contractuele werkwijzen. Ze stonden niet meer boven de jongeren, maar naast hen.

Het klimaat werd zodanig dat het kon omgekeerd worden. Het verhaaltje over 'stoornissen' bleek een sprookje te zijn. De jongeren waren niet zo.

Het verhaaltje om veiligheid te zoeken in structuren bleek niet te kloppen. De jongeren voelden zich niet veilig in structuren.

Het woord stoornis werd minder gebruikt in de context van storend gedrag. Het was veeleer het  contact dat verstoord was.

 

Twee contrastvoorbeelden uit dezelfde groep: dezelfde kinderen, dezelfde leidster.

Voorbeeld 1

Om 8.15 ging iedereen naar bed. Om 8.30 uur was het nog altijd rumoerig. Ik waarschuwde dat het stil moest worden. Pas een tijd later werd het rustiger. Om 9 uur ging mijn collega naar huis, en rond die tijd waren er nog altijd twee kinderen wakker en onrustig. Ik heb hen flink gewaarschuwd.

Gerd was verdrietig om zijn vader.

Boven waren ze met de brandslang bezig geweest, en kregen ze niet meer dicht. Ik gaf hen een flinke uitbrander. Pas lang nadien werd het echt rustig.

De opvoedster gaat niet in op de vraag waarom de jongeren zo onrustig waren.

Voorbeeld 2

Om 7.45 ging iedereen naar bed. Tom en Gerd waren onrustig en konden niet inslapen door het warme weer. Gerd riep dat hij niet slapen kon. Om 9.15 kwam Torn bij mij om te praten. Hij vroeg of hij bij mij in bed mocht. Ik antwoordde dat dat een goed idee was. Ik maakte het bed extra stevig op en Tom kwam bij mij liggen. Na een tijdje ging hij weer naar zijn eigen bed en sliep dadelijk in.

Hier slapen de jongeren in zonder waarschuwingen. Er is geen afstand tussen de opvoedster en de kinderen, maar juist nabijheid.

Hoe ziet individuele begeleiding er nu uit?

Misschien kun je daarvoor het best een aantal deskundigen raadplegen: jongeren die reeds verschillende tehuizen achter de rug hebben. Ik deed een tweetal onderzoeken bij jongeren (meisjes en jongens) over hun ervaringen in het tehuis. Zowel bij de meisjes als bij de jongens kwam reeds vroeg in het gesprek de naam van één groepsleider naar voren, die naam kwam tijdens het gesprek steeds terug.

IDe meisjes konden zich bijna niet herinneren wie hun mentor was. In de jongensgroep kwam een aantal keren een combinatie van namen voor. De meeste meisjes noemden de oudste groepsleiders op (rond de 50 jaar), duidelijk oud en wijs. Een aantal vonden de jonge groepsleiders wel fijn, maar zeggen dat daarmee niet te praten valt. Anderen vinden dat je met de jonge groepsleiders wel vlot kunt praten. Het type stille groepsleiders wordt door de één vernoemd, door de andere niet. Ieder meisje had kennelijk haar eigen individuele begeleider uitgekozen.

Kun je zoiets plannen?

In een eerste fase waarschijnlijk wel, maar dat zal achteraf zeker moeten bijgestuurd worden. Voor nieuwe meisjes kun je wel een mentor toewijzen. Doch achteraf moet bekeken worden of de kwaliteit van het contact voldoende goed is om mentor te blijven. Bij het toekennen van het mentorschap dient men vooraf contacten te inspecteren, rekening te houden met de natuurlijke wijze waarop contacten tot stand komen. Er moet zeker ook gelet worden op de zogenaamde grijze kinderen, vaak de niet lastige kinderen die kans lopen buiten het lijstje te vallen. Men dient er ook op toe te zien dat de groepsleider geen te zware opdracht krijgt met kinderen die hem niet liggen.

Betrokkenheid is een noodzakelijke basiservaring voor elk kind, zoals wortels broodnodig zijn voor de boom. Gemiste betrokkenheid kun je inhalen. Hoe ziet die betrokkenheid eruit?

Betrokkenheid blijkt uit duizenden kleine dingen. Je hebt er wel kleine groepen, vaste teams en een plaats om te verblijven voor nodig. Vermogen tot betrokkenheid is een bereidheid. Als het in je zit kun je het zelfs door een slechte opvoeding niet kwijtraken. Vermogen tot betrokkenheid kun je aanscherpen, vermeerderen.

Als er individuele contacten zijn tussen groepsleiders en bewoners, hoe ga je dan om met vertrouwelijkheid, collegialiteit, ouders, ...?

Dit is een vaak gehoorde vraag.

Betrokkenheid is deelbaar met collega's. Contact deel je wel degelijk met collega's, maar het is ook zo moeilijk over te dragen, het is immers zo persoonsgebonden. Overdragen kan ook gevaarlijk zijn. Ook het feit dat je op voorhand weet dat je afscheid zult moeten nemen, is geen reden om niet tot contact te komen. Goed contact biedt ruimte, ook afscheid kan binnen goed contact.

Het is een sprookje dat kinderen maar twee personen: vader en moeder, nodig hebben om op te groeien. Zelfs de beste ouders schieten te kort.

Ouders zijn collega-opvoeders, geen concurrenten. We moeten niet denken dat wij het beter kunnen dan de ouders. Tegenover de ouders moeten we respect tonen en een collegiale houding aannemen. We moeten de gevoelens van het kind naar de ouders toe erkennen. Hoe verstoorder de band tussen hen is, hoe steviger die band wordt. We moeten ouders en kinderen de ruimte bieden om zich met elkaar verbonden te blijven voelen.

Ons contact met de jongeren kunnen we met de ouders delen als onze houding er niet één is van 'wij doen het beter, wij zullen het jullie eens leren', maar integendeel van collega's, van 'wij doen ook maar ons best.'

De rapportage naar ouders, plaatsende instanties en jeugdrechters toe is eigenlijk geen gedragsbeschrijving, maar een procesbeschrijving. In een gesprek, in een mondelinge taal kan dikwijls alles veel beter gezegd worden, dan met de officiële taal. Vaak is het ook beter om alles iets abstracter te noteren om alzo geen vertrouwelijkheid te schenden.  

Fasen in het contact

Als we nu eens kijken naar de verschillende fasen die in contact mogelijk zijn.

We kunnen dit het best doen aan de hand van de routekaart:

Irritatie

Middengebied

Liefheid

 

Hier start je meestal
↓ 

 
 

→   →    →

Kinderen laten vaak eerst hun liefheid zien


dan hun giftigheid
              
 ←   ←   ←   ←  ←   ←

        ←  

                 →  →  →  →  →  → 


Ook weer hun liefheid
 

 

en na die uitersten bezocht te hebben, kun je het gewone leven in het middengebied samen aan.

   ←
 

→   →  →    


Dit blijft

en dit keert ook weer eens terug

 ←  ←  ←  ←  ←  ←     
               

maar je kunt ook gewoon met elkaar leven.

 

De routekaart is opgesteld vanuit een heel team. Je vindt erop de twee uitersten van wat mensen kunnen voelen. Het is de neerslag van wat je eigenlijk meemaakt in de omgang met kinderen. De vakkunst zit in het omgaan met die uiterste gebieden. De kunst is om de groep zo te regelen dat beide uitersten kunnen aan bod kunnen komen

Dit wil niet zeggen dat alles kan en mag, dat er geen regels zijn. Integendeel de leefgroep heeft nood aan een zekere cultuur, aan zekere regels. Dit mogen echter geen regels zijn die verbieden om bijvoorbeeld een ochtendhumeur te hebben, wel om een bal door het venster te gooien. Het mogen geen regels zijn die gevoelens en bewegingsdrang verbieden, maar die deze alleen in kanalen, in banen leiden.

Bijvoorbeeld: Het is niet verboden te stoeien, maar stoeien gebeurt in de stoeihoek.

Er moeten dus wel degelijk codes, strenge codes, zijn, maar heel andere dan bijvoorbeeld in het bedrijfsleven. We kunnen met mensen niet omgaan als met objecten.

Hoever kun je eigenlijk gaan in dit alles?

Er ligt wel een grens in wat jezelf kunt laten zien. We moeten altijd oog hebben voor de jongere, voor dat waaraan hij nood heeft.

Een groepsleidster vertelde bijvoorbeeld over haar huwelijksproblemen. Eén meisje zei:"Waarom vertelt ze over haar problemen, daar hebben wij toch niets mee te maken". De anderen stelden het echter op prijs. Ze vonden het fijn dat de groepsleidster zich niet schaamde om haar eigen problemen te laten blijken. Ze hadden een echt mens ontmoet, vonden ze.

Een eerste grens ligt dus bij het kind. Wat kan het kind helpen? Op een gegeven ogenblik moet je je eigen problemen inslikken om aan de andere ruimte geven.

En een tweede grens ligt bij jezelf. Jij bepaalt wat je wel en wat je niet wil prijsgeven.

Een derde grens, en dat is wel de meest beklemmende, ligt in de maatschappij, de structuren, het werk. We moeten gebruik maken van het team. We moeten van elkaar leren wat wel en wat niet kan. Als we niet meer aanvoelen wat er te voelen valt, dan worden we ongeschikt voor het werk.

Hoe ga je nu met jezelf, met je eigen gevoelens om?

Een teambespreking gaat vaak voor een groot deel over het gedrag van de kinderen, over het lastig gedrag van de kinderen, daar waar het zou moeten gaan over de beleving ervan. Er zou ruimte moeten zijn voor alle gevoelens die elk teamlid opdoet tijdens het werk. Hun irritatie, hun afkeer van sommige jongeren moet kunnen geuit worden. Drijf op je vermogen tot sympathie voor kinderen. Maar gun elkaar ook het gevoel van antipathie. En gun elkaar ook de ruimte om die gevoelens te uiten.

Als de ene opvoeder een bepaald kind een etterbak vindt, maar een andere opvoeder kan met datzelfde kind goed opschieten, is er geen probleem. Moeilijker ligt het als het volledige team dat kind een etterbak vindt. Dan moet er toch één iemand proberen sympathie voor dat kind te ontwikkelen.

Het is mogelijk dat mensen die in hun gevoelsleven afgestompt zijn, dat gevoelsleven weer kunnen ontwikkelen en steeds meer en verder ontwikkelen. Daar ligt de eigen weg en opdracht, ook voor het team. Daar ligt de eigen ontwikkeling. Ik zei reeds in het begin dat alleen jijzelf voor jou en jouw werksituatie een passende methodiek kan ontwikkelen.

Hoe doe je dat?

Sta stil bij je ervaringen, wissel ze uit, schrijf ze op, denk erover na en kom zo tot je eigen methodische ideeën. Dit kun je echter niet voor altijd doen; als er een ontwikkeling plaats vindt in de instelling, moet je je vroegere methodiek bijsturen.

Tot besluit

Ik hoop toch wat te zijn ingegaan op de vraag die deze studie-namiddag als titel meekreeg: "Kan individuele begeleiding binnen de leefgroep?"

Ja, individuele begeleiding kan in de leefgroep. Individuele begeleiding en leefgroepswerk zijn geen tegenstellingen die elkaar uitsluiten. Beiden zijn aspect van het werk van de groepsleider.

Individuele begeleiding kan in de leefgroep, mits er goed individueel contact is.

Wat is contact?

boodschap

herkennen en erkennen -vertalen

terugseinen

 

Hoe bouw je contact op?

In honderd kleine dingen op een dag: 

veel zorg

regulering 

veel actie 

conflicten

ruimte waarin schaduwkanten kunnen ontmoet worden

 

En alleen jijzelf kan een passende methodiek uitdenken die voor jou en jouw kinderen werkbaar is.

 Start Omhoog