Start Omhoog

[Terug naar het artikel over de islam]

Citaten uit

Essay  

De teloorgang van de Arabische traditie

Kunnen moslims denken?

Door Fouad Laroui, in: VN 16 april 2005

Voor de verlichtingsdenkers was het Arabisch de taal van een roemruchte traditie die het mogelijk had gemaakt te ontsnappen aan de duistere Middeleeuwen. Tegenwoordig is 'achterlijk' het meest gehoorde woord als het om moslims gaat. Hoe is het zover kunnen komen ?

1

Op 12 juni 1755 verleende de faculteit der filosofie van de universiteit van Koningsbergen aan
Immanuel Kant de graad van doctor in de filosofie. Op de bul die Kant bij die gelegenheid ontving staat in het Arabisch de formule 'bismallah ar-rahman ar-rahim', wat betekent: in de naam van God, de erbarmer, de barmhartige.

[... U]it het feit dat een nog jonge Pruisische universiteit (ze werd gesticht in 1544) op de uitgereikte diploma's het eerste vers van de koran vermeldde, blijkt onmiskenbaar dat men aansluiting wenste te zoeken bij een roemruchte traditie die zich uitdrukte in het Arabisch. Zo werd op spectaculaire wijze het aanzien bevestigd van een taal en een gedachtegoed die het de christelijke Middeleeuwen mogelijk hadden gemaakt uit het duister te treden. 

Verscheidene eeuwen waren ver streken, maar het jaar 1000 van de Arabieren had nog niets aan glans ingeboet.

[...]

Een paar weken geleden was ik aanwezig bij de inaugurele rede van de nieuw benoemde hoogleraar oogheelkunde aan de Vrije Universiteit van Amsterdam; niet vanwege mijn passie voor de oogheelkunde maar om het onderwerp van zijn rede, dat meteen mijn belangstelling had gewekt. De titel ervan luidde: 'Ibn Sina, Donders en Snellen.' 

Let wel: mijn collega-hoogleraar gebruikte wel degelijk de naam Ibn Sina, en niet Avicenna, de ver-europeeste, of van haar angel ontdane versie. En dat deed hij welbewust. Immers, het eerste kwartier van zijn oratie was gewijd aan een lofzang op de eerste eeuwen van de islam. 

Dat was een tijd, zei hij, waarin de wetenschap nieuwe gebieden openlegde, een tijd waarin weetgierigheid, tolerantie en intellectuele vrijheid hoogtij vierden, terwijl het Westen nog in duisternis was gedompeld. Deze hoogleraar is afkomstig uit een christelijke cultuur en hij sprak zijn rede uit aaneen Universiteit op Gereformeerde Grondslag. Chapeau! 

Maar dat was nog niet alles: op het grote scherm projecteerde hij een aantal citaten uit die tijd, die allemaal aantoonden hoe hoogontwikkeld de islamitische beschaving in de drie eeuwen na de hegira (het jaar o van de islam, 622) was. Hij liet met name de welbekende hadith (overlevering) van de profeet zien, waarin staat dat 'de inkt van de geleerde kostbaarder is dan het bloed van de martelaar'.

Een melancholieke stemming maakte zich van me meester, daar in de aula. van de Vrije Universiteit. Ooit, once upon a time, konden moslims denken... En tegenwoordig is in Nederland als het over moslims gaat 'achterlijk' het meest gehoorde woord.

Hoe heeft het zover kunnen komen?

Sinds minstens een eeuw hebben westerse denkers en Arabische denkers getracht deze vraag
te beantwoorden. Een opsomming van al hun pogingen om een verklaring te vinden, zou het kader van dit essay te boven gaan. Niettemin is het verhelderend een paar figuren uit de geschiedenis nader te bekijken, omdat zij ons misschien fragmenten van een antwoord kunnen leveren.

Ibn Khaldoen, bijvoorbeeld. 

In zijn monumentale werk Study of Ristory zegt de grote Engelse historicus Amold Toynbee het volgende over zijn islamitsche voorganger uit een ver verleden: 

'The most illuminating interpreter of (...) history that has appeared anywhere in the world so far.' 

Dat is wel even iets anders dan de onbesuisde en racistische mening van Kolroy-Silk... Maar interessanter;jn dit verband, dan de lof van Toynbee is dat de 'grootste historicus aller tijden', Ibn Khaldoen, in zijn persoonlijk leven een vroom man was die naar mysticisme neigde. Als pionier evenwel van de opvatting dat geschiedenis een wetenschap is, was hij rationalist Louis Pasteur placht te zeggen, grof weergegeven: 

'Ik ben gelovig maar bij de deur van mijn laboratorium leg ik mijn geloof af.' 

Ibn Khaldoen deed hetzelfde, vijf eeuwen voor Pasteur. En hetzelfde kan gezegd worden van alle islamitische denkers-voorgangers van Ibn Khaldoen.

Laten we eens kijken naar Ibn Roesjd. 

Niet zijn commentaren op Aristoteles behoren tot zijn oorspronkelijkste geschriften, maar veeleer zijn Fasl al-Maqal, een juridisch onderzoek waarvan hij meteen in de eerste paragraaf het doel omschrijft: zijn wijsgerige studie (waartoe in de tijd ook de natuurwetenschappen behoorden) en de studie der logica voor een moslim toegestaan? 

Het antwoord laat geen ruimte voor twijfel: een moslim mag filosofie studeren (dus wetenschap bedrijven), en dat niet alleen, hij móét dit zelfs doen. De ratio hiervan is dat de enige manier om God te kennen, is om zijn werken te kennen, dus te begrijpen hoe de wereld in elkaar zit, wat precies de definitie van wetenschap is. Sterker nog: als wetenschap en geloof met elkaar in botsing komen, dient te worden gekozen voor... de wetenschap. 

Dit staat in de paragrafen 19,20 en 21 van Fasl al-Maqat indien 'de geopenbaarde Tekst (= de koran) en de door bewijs verkregen gegevens (=de wetenschap) met elkaar in conflict komen, moet de Tekst anders worden geïnterpreteerd - en de wetenschap niet worden verworpen! - om rationele kennis en doorgegeven kennis met elkaar in overeenstemming te brengen.

Tot die verrassende conclusie komt Ibn Roesjd overigens op grond van de koran zelf, waarin meer dan eens wordt gezegd dat God zich uitdrukt in vergelijkingen. Misschien is dat de prijs die voor de transcendentie, de echte erfzonde, moet worden betaald... 

Om een voorbeeld te nemen waarover op het moment veel te doen is: het befaamde Paradijs dat de jihadstrijders van de zelfmoordacties wacht: vers 35 van soera XIII vermeldt expliciet dat er sprake is vaneen bééld (mathal). Het beeld van iets dat we uit ervaring kennen, door onze zintuigen - een tuin, rivieren - duidt dus iets aan wat verder gaat dan dat, wat de zintuiglijke waarneming over stijgt. Iets waarover we eigenlijk maar beter konden zwijgen. 

Zo bezien is stille contemplatie de .beste manier om moslim te zijn. Het beoefenen van de praktische wetenschap - de natuurwetenschappen, die ons informatie verschaffen over onze wereld - vormt een harmonische aanvulling op deze ingetogen stilte. 

Zo ver is Ibn Roesjd niet gegaan; maar zijn filosofie reikt in elk geval een werktuig aan om zo'n quiëtisme te bereiken, dat niet onwelkom zou zijn in deze tijd met zijn heilige oorlog en clash van beschavingen. 

Wat een aanlokkelijk idee: een wereld waarin het, voor de gelovigen, het summum van vroomheid zou zijn om nooit iets te zeggen en helemaal op te gaan in het bestuderen van planten, dieren of van het heelal... 

Verscheidene eeuwen lang is de invloed van Ibn Roesjd zeer gering gebleven, helaas. Zijn boeken werden verbrand en zijn tegenstanders verminkt en zijn filosofie. Vandaag de dag, daarentegen, zijn veel moslims trots op hem - op het televisiekanaal Al Jazeera hoorde ik eens een moslimbroeder zijn naam met veel respect noemen. Maar weten ze werkelijk wat hij heeft gezegd? 

Toch zal hij de kadi (islamitische rechter) blijven die, verscheidene eeuwen voor de Verlichting, heeft durven zeggen dat als er wetten moeten worden gemaakt op aarde en het gemeenschapsleven moet worden ingericht, de filosofie (dat wil zeggen de rede) voor de theologie komt en zelfs voor de koran.

[... ...]

Het punt is: meer dan zeven eeuwen na Ibn Roesjd was men in Europa dit stadium nog niet gepasseerd, Nog steeds liet men theologie en filosofie - in ruime zin - een groteske tango dansen die tot niets leidt, in plaats van elk van beide zijn eigen weg te laten volgen, zoals de kadi van Córdoba dat had gesuggereerd.

[...]

3

Bij sommige moslims evenwel bestaat tegenwoordig de tendens - die lijnrecht tegen bovenstaande ontwikkeling in gaat - alle denken, zelfs op het meest praktische vlak, op te sluiten binnen het kader van de koran.

Wanneer ze álles grondwet, burgerlijk recht, strafrecht, enzovoort willen baseren op de sjaria, weigeren ze in te zien dat het heilige boek zich daartoe op geen enkele wijze leent: er staan hoogstens een paar honderd voorschriften in de koran, aanzienlijk minder dan de 613 van het Oude Testament (volgens de talmoedische interpretatie) of de 2414 van het canoniek roomse recht. Waaruit blijkt dat de islam wat de inrichting van de maatschapij betreft veel ruimte Iaat aan het initiatief van burger en wetgever.

Op het gebied van het burgerlijk recht bijvoorbeeld staat in de koran maar een enkel vers dat daaraan aandacht besteedt

(II, 275: 'God heeft handel toegestaan en de woeker verboden').

Hoe kan er dan sprake zijn van 'islamitische' economie?

In de praktijk moet een andere weg worden gezocht, daar komt het op neer. In Marokko bijvoorbeeld wordt in geen enkele wettekst melding gemaakt van de koran of van de islam. Daaruit blijkt dat een door en door islamitisch land - is de koning van Marokko niet in de eerste plaats Vorst der Gelovigen? - uitstekend kan volstaan met een verwijzing naar de islam in de inleidende paragraaf van zijn grondwet om vervolgens het functioneren van de staat en van de samenleving te regelen volgens aan de tijd en de plaats aangepaste pragmatische regels.

Evenzo bepaalt de Tunesische grondwet meteen in het eerste artikel dat Tunesië een islamitisch land is. Maar nergens staat dat de sjaria de bron is voor het recht; nergens staat dat de sjaria de bron is waarop de rechter of wetgever zijn mening baseert. Sterker nog: in artikels wordt het grondbeginsel van de vrijheid van geweten gegarandeerd. Wat betekent dat de Tunesische moslim in alle gemoedsrust zijn godsdienst kan belijden in een welvarend land waar de wetten niet strijdig zijn met de eisen die een moderne staat stelt.

Maar nogmaals: helaas bestaat er een stroming die alles wil baseren op de koran of de hadiths. En als ik zeg álles, betekent dat dat ook geldt voor de meest alledaagse en onbeduidende details van het dagelijkse leven. Zo behandelt Khomeiny in zijn boeken kwesties waarvan men zich in alle ernst kan afvragen wat ze te maken hebben met geloof.

[...]

Op alle denkbare en voorstelbare eventualiteiten te willen anticiperen, is niet alleen een absurde onderneming [...] maar bovendien een onderneming waaruit een diep wantrouwen ten opzichte van de menselijke rede spreekt. Lichtjaren zijn we verwijderd van Ibn Roesjd!

Langzaam verkalkt het denken, terwijl de Wet pretendeert op alles, maar dan ook op alles een antwoord te hebben.

4

Dat de islam ooit tot grote bloei kwam, waardoor het Arabisch de taal werd van de wetenschap en Bagdad en Córdoba de culturele hoofdsteden van de wereld, was in de eerste plaats te danken aan de verdraagzaamheid, de vrije discussie en het openstaan voor de Ander. Van die instelling getuigt het feit dat het wetenschappelijke en filosofische werk van de Grieken werd vertaald. En zo heeft de geest van de islam destijds geleerden als Ibn Sina, Al'Razi, Al Khawarizmi en Ibn Al-Ha' ytham kunnen voortbrengen.

Preciezer uitgedrukt: de Arabische filosofie en wetenschap konden een voorhoedepositie innemen in de universele beschaving toen ze vrij waren van elk theologisch dogmatisme, of een strenge scheidslijn trokken tussen geloof en wetenschappelijke kennis.

[...]

Dus, kunnen moslims denken? Ja, en op superieur niveau zelfs. Dat hebben ze in het verleden ruimschoots bewezen. Maar op voorwaarde dat de rede, de wetenschap en het vrije, vrijmoedige denken boven alles worden gesteld. Zelfs boven de Schrift.

Fouad Laroui is schrijver en dichter.
Voor zijn werk ontving hij de E. du Perronprijs
2002.
Hij is werkzaam aan de Vrije Universiteit als milieu-econoom.
Marianne Kaas vertaalde 'Kunnen moslims denken?'uit het Frans.
Vertaling Marianne Kaas.

[Terug naar het artikel over de islam]

Start Omhoog