Vorige Start Omhoog Volgende

§ 3. Overwegingen

a. Proces en produkt: moet het wiel steeds opnieuw uitgevonden worden? 

Bovenstaande aanbevelingen konden vanuit de ervaring in dit project met redelijk gevoel van zekerheid worden neergeschreven. Onderstaande overwegingen bevatten meer vragen dan zekerheden. Voor zover ze niet expliciet als vraag zijn neergeschreven, zijn het vermoedens, voorlopige stellingnamen die de toets van de anti-these nog niet hebben doorstaan.

De belangrijkste kwestie is die van het uitvinden van het wiel, zoals het in dit verslag steeds is genoemd. De vraag was: moet nu elk team steeds weer opnieuw zijn eigen methode (wiel) uitvinden? Kan dat niet in één keer gebeuren? De Begeleidingscommissie voor Opleidingen voor het Inrichtingswerk formuleerde de vraag als: kan er een fonds van kennis worden gevormd waaruit groepsleiders en docenten kunnen putten?

Er is al gesteld: ja, dat kan. Teams kunnen hun eigen methodiek uitvinden en een fonds van kennis kan gevormd worden. Maar het probleem zit 'm in het putten uit dat fonds, ofwel in de overdraagbaarheid van die kennis. In dit project bleek de opgedane kennis moeilijk overdraagbaar te zijn naar collega's binnen en buiten het eigen team. Deelnemers in beide regio's hebben dit ervaren.

Voorlopig moeten we dan in ieder geval constateren dat het concept 'ontwikkel kennis en draag die over' niet zo simpel werkt. We moeten terug naar de vraagstelling, en met name naar het type kennis waar vraag naar is: weten te handelen.

Als je letterlijk kijkt naar de omschrijving van 'handelen', dan gebeurt handelen door personen die kiezen wat ze doen. Hierop door-redenerend lijkt de conclusie: 'dan is weten te handelen een type kennis die gebonden is aan personen' gerechtvaardigd.

Wat overgedragen kan worden is een arsenaal (fonds) aan mogelijk zinvolle interpretaties, doelen, werkwijzen enzovoorts. Wat niet overgedragen kan worden is het kiezen uit dat arsenaal door de persoon in de (werk)situatie. Dat zal die persoon, respectievelijk dat team, zelf moeten doen en zelf moeten verantwoorden.

Het kennisprodukt van handelingsonderzoek is dan nooit "DE methodiek" die je alleen maar hoeft over te dragen, maar altijd en niet meer dan een arsenaal (fonds) van mogelijke methodisch bruikbare handelwijzen. Zo'n arsenaal is misschien over te dragen, maar het putten uit dat arsenaal, het kiezen van de mogelijk meest juiste handelwijze kan vermoedelijk niet worden overgedragen; dat zal de persoon zelf moeten doen. En óm dat zelf te kunnen doen, moet deze eerst een proces doorlopen, een vergelijkbaar proces als plaatsvond bij het uitvinden van de in het arsenaal of fonds verzamelde handelingsmogelijkheden.

Korter gezegd: we vermoeden dat je dit produkt niet kunt pakken zonder zelf een proces te hebben doorlopen.

Het proces is reeds uitvoerig beschreven, maar twee wezenlijke elementen daaruit moeten hier zeker genoemd worden: 

de twijfel en 

het bewustzijn. 

Pas ná twijfel en bewustzijn is 'weten te handelen' mogelijk, is het pas mogelijk te putten uit een arsenaal van handelingsmogelijkheden. De uitvindkunde (het proces) is dan voorwaarde om de uitvinding (het produkt)  


[Blz. 224] 

 

te kunnen gebruiken. Als dit zo is, heeft het consequenties voor het onderwijs in dit vak. Dit zal dan eerder onderwijzen in de uitvindkunde moeten zijn dan onderwijzen van uitvindingen die al gedaan zijn.

Nogmaals: dit zijn vooralsnog vermoedens. Ze hebben wel geleid tot de keuze om in het eindverslag het proces zeer uitgebreid, en het inhoudelijke resultaat (het produkt) slechts voorbeelds-gewijs te beschrijven.

b. De generaliseerbaarheid van de ontwikkelde kennis

Of de in dit proces ontwikkelde kennis generaliseerbaar is, is niet in dit project onderzocht. Er kan dus niets over geconcludeerd worden. Wel zijn er vermoedens en overwegingen.

De inzichten die zijn opgedaan over het proces van methodiekontwikkeling zijn vermoedelijk op meerdere plaatsen te gebruiken. Immers, of een verhaal nu gaat over de praktijk van de groepsleider die met kleuters aan tafel zit, of over een randgroepjongerenwerker die de soosavond leidt, de manier van analyseren, bespreken en concluderen kan dezelfde zijn. De generaliseerbaarheid van deze kennis is ook uitgedrukt in de titel van dit verslag: Methodiek ontwikkelen voor praktijk en opleiding.

Het ontwikkelde produkt kan wel eens minder generaliseerbaar zijn; methodiek voor het werken met peuters in Hubertus zal op punten verschillen van methodiek voor het werken met de oudere meisjes van De Hohorst; opleiden van jonge HBO-studenten op een dagopleiding zal op punten verschillen van het opleiden van oudere studenten op een MBO deeltijdopleiding. De overeenkomst, en dus de generaliseerbaarheid, ligt op een meer abstract niveau. Dat is ook nagestreefd in dit onderzoek. Hoe abstracter het niveau, hoe hoger de vermoedelijke generaliseerbaarheid.

Werkinhoudelijk is in dit project vooraf gekozen voor het residentiële werken met voornamelijk jeugd. Zijn de resultaten generaliseerbaar naar andere typen werk? Ten dele vermoedelijk wel, ten dele vermoedelijk niet. Om te besluiten wat wel en wat niet elders bruikbaar is, zal een vergelijkbaar proces van methodiekontwikkeling nodig zijn, waarin de hier ontwikkelde methodische ideeën in de discussie kunnen worden ingebracht en gewogen. Er zal in die discussie geabstraheerd en vertaald moeten worden. Zodoende zou generaliseerbaarheid naar de nevenliggende vakgebieden mogelijk kunnen zijn:

Ook binnen de residentiële jeugdzorg kan de generaliseerbaarheid problematisch zijn. In dit onderzoek zijn geen werkers met diep zwakzinnigen betrokken, noch werkers met kinderen met ernstige ziektes, noch werkers met extreem verharde jongeren zoals ernstig verslaafden. Bij hen kan het vermogen tot dialogische omgang en tot verantwoord handelen zo ernstig aangetast zijn, dat er mogelijk andere werkprincipes, tijdelijk of langdurig, naar de voorgrond dienen te treden.

Principieel problematisch ligt de generaliseerbaarheid voor mensen die de handelingsvisie afwijzen. Zij zullen reeds in de vraagstelling de begrippen anders omschrijven. Of zij geneigd zullen zijn een dergelijke of vergelijkbare manier van methodiek ontwikkelen uit te proberen, is een open vraag.  

[Blz. 225] 

Voor hen is het eerder logisch consistent om actie-onderzoek te doen in plaats van handelingsonderzoek (zie het schema op blz. 49). Of de uitkomsten daarvan vergelijkbaar zijn, en of die uitkomsten over en weer generaliseerbaar, combineerbaar en integreerbaar zijn, dat zijn vooralsnog open vragen.

In dit onderzoek is in ieder geval zeer consequent de handelingsvisie aangehouden. Of de resultaten daarvan, proces en produkt, bruikbaar zijn voor mensen met een andere visie, kunnen alleen zij beoordelen. Naar de uitslag van die beoordeling en naar de argumentatie daarvan zijn wij nieuwsgierig. We kunnen het antwoord zelf niet geven.

c. De ingeslopen eenzijdigheid: persoon en systeem

Aan de deelnemende groepsleiders is gevraagd om verhalen te vertellen van hun werken in de praktijk, en wel die verhalen die zij voor het project van belang vonden. In de regio Amersfoort kwamen er in de tweede fase al 397 verhalen; in het gehele project zijn er ongeveer 750 verhalen ingediend. Waar gingen die nu over? 

Ze gingen voor het overgrote deel over de directe contacten tussen werkers en bewoners, en slechts voor een zeer klein deel over de contacten tussen de werkers en de omliggende systemen: team, inrichting, gezinnen, jeugdbeschermings-instanties, school, werk, politiek (bezuinigingen!) en maatschappij. Door de keuze om zo te selecteren dat die onderwerpen werden uitgediept waarover het meest en het meest kleurrijk werd verhaald, is van meet af aan een eenzijdigheid in het project geslopen: er is heel veel verteld, gesproken, gedacht en geconcludeerd over het handelen in direct contact met de bewoners (het persoonsniveau) en heel weinig over het handelen met de wijdere omgeving (het systeemniveau).

Mogelijk vormde die voor de betrokken groepsleiders geen groot probleem? Mogelijk viel die kant van het werk buiten hun primaire aandacht? Mogelijk vonden ze die kant minder belangrijk voor dit project? In ieder geval is de eenzijdigheid ingeslopen en dient deze erkend te worden.

Aan de deelnemende docenten is eveneens gevraagd van hun werk te vertellen. Ook hier kwamen vooral verhalen van het directe contact tussen docenten en studenten, en nauwelijks verhalen over de systeemkant van hun werk. Ook hier sloop dezelfde eenzijdigheid in het project.

Logischerwijs betreffen de resultaten en de conclusies dan ook die kant van het werk. De inhoudelijke resultaten zijn dan ook te plaatsen binnen de personalistische stroming (zie Imelman 1978a). Daarmee is wel gezegd dat het gedachtegoed van deze stroming in ieder geval door deze deelnemers aan dit project van belang gevonden wordt voor het werk en voor de opleiding. Daarmee is niet gezegd dat dit het enige belangrijke is; er is meer, maar dat is in dit project niet onder de loupe gehouden en niet uitgewerkt.

Wat wel gezegd is blijft gelden; wat niet is gezegd en alsnog gezegd zou moeten worden, kan evenzeer gelden, al kunnen we er binnen dit project geen uitspraken over doen (zie hierover bijvoorbeeld Baan 1978 en Beker en Maier 1981).

d. De invloed van de projectleiders

Een laatste kwestie die herhaaldelijk aan de orde kwam is de invloed van de projectleiders op het proces en het produkt van dit onderzoek. Is die er? Mag die er zijn? Hoe daarmee om te gaan? zijn de vragen die dan opkomen.

De invloed is er ontegenzeggelijk, en dit dient ook erkend te worden. De invloed begon al bij de keuze van de omschrijving van de begrippen in de vraagstelling, die immers hebben geleid tot het werken met deze zeven vragen. De invloed was er bij het kiezen van de termen en begrippen bij de analyse van de verhalen. De invloed was er, zelfs veel eerder dan gepland, in de kringgesprekken.

[Blz. 226] 

Mag die invloed er zijn? Ons inziens luidt het antwoord: ja, mits die geëxpliciteerd wordt en in de kring wordt ingebracht. Voor de inbreng van een projectleider gelden dan precies dezelfde regels als voor ieder die iets inbrengt: de argumenten tellen, niet de positie. In de kritische dialectische discussie kan die inbreng worden gewogen, aanvaard, aangevuld, gecorrigeerd of afgekeurd.

Het argument om deze invloed toelaatbaar te achten is, dat die invloed er onontkoombaar is. Dán kan die invloed beter geëxpliciteerd worden, gewogen worden en, indien bruikbaar, benut worden.

Een onderzoeker zonder visie lijkt ondenkbaar, een onderzoeker zonder kennis van het vak waarin hij onderzoek doet lijkt onnuttig. Zowel visie als vakkennis dienen dan te worden ingebracht.

Met nadruk is hierbij steeds gesproken van visie, niet alleen van vakkennis. Immers: de visie van de onderzoekers, het handelingsmodel genoemd, heeft van meet af aan vergaande invloed gehad op dit onderzoek. Dán dient die visie ook duidelijk aangegeven en voorgelegd te worden. Dat is in dit onderzoek gebeurd bij het presenteren van het plan met keuzemogelijkheden, voorts is de visie expliciet op papier gesteld en besproken in de begeleidingscommissie. In de kringgesprekken is de visie iets minder expliciet, want meestal gekoppeld aan concretere onderwerpen, aan de orde gesteld.

De onderzoeker of projectleider mag geacht worden op de hoogte te zijn van het feit dát er meerdere visies bestaan, alsook van de argumentatie die die visies funderen. De onderzoeker dient dan ook aan de kring mee te delen dat er meerdere visies in de literatuur en het werkveld aan te treffen zijn; gevraagd mag worden om de argumentatie weer te geven van die visies, ook van de visie(s) die de onderzoeker zelf niet als de zijne gekozen heeft. Hij mag zijn visie niet als de enig mogelijke presenteren: hij kan én de 'menukaart' van mogelijke visies én zijn keuze daaruit aangeven en toelichten.

Ons inziens dient iedere onderzoeker dit te doen. In het gedachtenexperiment waarin onderzoekers met een gedragsvisie dit onderzoek zouden hebben geleid, dient dus ook aan deze onderzoekers de eis te worden gesteld dat zij hun visie op de mens, op kennis en wetenschap, op onderzoek en op het werk expliciet onder woorden hadden gebracht en hadden ingebracht in de discussie. Naar de uitslag daarvan zijn wij benieuwd.

Vorige Start Omhoog Volgende