Start Omhoog  

KOINOS MAGAZINE #24 (1999/4)

Intieme relaties tussen jongeren en volwassenen

Zijn er criteria voor een goed contact?

 Frank van Ree

Zowel seksueel misbruik van kinderen als vrijwillige liefdesrelaties tussen jongeren en volwassenen komen in alle culturen en in alle tijden voor. Hoewel onderzoekscijfers anders aantonen, heeft momenteel in veel landen de opvatting post gevat dat leeftijdsverschil hoe dan ook schadelijke gevolgen met zich meebrengt. Enige tijd geleden vond er een uitgebreide gedachtewisseling plaats in het nieuwsbulletin van de Landelijke Werkgroep JORis (Jongere-Oudere Relaties, intimiteit, seksualiteit) van de Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming (NVSH), over de criteria waaraan een intieme relatie met een jongere moet voldoen om schade op latere leeftijd uit te sluiten, uitgaand van stellingen die al eerder waren geformuleerd door de Danish Pedophile Association. Orthopedagoog Dr. Frans Gieles nam daarbij het standpunt in dat in de huidige werkelijkheid volwassenen zich bij pedofiele en efebofiele relaties zeer terughoudend dienen op te stellen, omdat zij ook de verantwoordelijkheid dragen voor schade die maatschappelijke afwijzing, al of niet achteraf, teweeg kan brengen. Wij vroegen de gepensioneerde Nederlandse psychiater Dr. Frank van Ree naar zijn visie hierover. Van Ree heeft veel publicaties op zijn naam staan en schuwt daarbij niet zich onafhankelijk op te stellen. Zoals uit onderstaande bijdrage blijkt, heeft hij die opstelling ook aan zijn kinderen weten mee te geven.

 Kind of jongere

De begrippen kind en jongere worden doorgaans gebruikt zonder nadere typering. Toch herkent men duidelijke verschillen tussen efebofilie en pedofilie. Efebofilie kan worden omschreven als een erotische en seksuele voorkeur van volwassen mannen voor de net ontluikende mannelijke jonge mens, dat wil zeggen de jongere kort na de puberteit (efebe = jongeling, halfvolwassene). Vóór de puberteit hebben wij nog met kinderen te maken. Efebofilie bevindt zich op een overgangsgebied tussen homofiele pedofilie en volwassen homoseksualiteit. Al lijkt een en ander duidelijk omschreven, de schijn bedriegt. Natuurlijk kennen wij lichamelijke rijpingskenmerken, zoals bij de jongen baardgroei, stemomslag, ejaculatie, et cetera. Maar de ontwikkeling van deze kenmerken is per individu niet op elk gebied even snel. De leeftijd waarop de ontwikkelingen herkenbaar worden, is zeker bij de een veel vroeger dan bij de ander. Geestelijke rijping en volwassenwording zijn niet of nauwelijks te begrenzen. Bovendien verlopen die ontwikkelingen per psychische functie niet even snel. Toch worden de onderscheidingen ondanks de onscherpte gebruikt. Van centrale betekenis is dat voor de pedofiel het kind erotisch aantrekkelijk en daarmee seksueel benaderbaar is en bij rijping tot jongeling deze aantrekkelijkheid juist verliest.

 Schadelijke handelingen en psychische rijping

Bij de huidige, vaak zeer heftige discussies over seks van volwassenen met jongeren, komt steeds weer de kwestie van mogelijke schadelijkheid naar voren. Het is duidelijk dat fysieke mishandeling, bedreiging, chantage en dergelijke delicten schadelijk zijn en bestraffing behoeven. Deze zaken, die trouwens ook geheel zonder speciale zedelijkheidswetgeving onder het strafrecht vallen, behoeven geen nadere bespreking.

Het vraagstuk van de schadelijkheid is complex. Knuffelen, kussen, strelen en masturbatie behoren tot de normale lustvolle belevingswereld van baby en kleuter, en deze gedragingen blijven hun betekenis voor jongeren en volwassenen behouden. In vele publicaties wordt ook niet-gewelddadig seksueel gedrag, als niet passend bij de psychische rijpingsfase, in principe als schadelijk beschouwd, ook wanneer de jongere (of het kind) met zulk gedrag instemt of er toe uitgenodigd heeft. Om zich daarover uit te spreken is het nodig eerst een drietal daarvóór bestaande vragen te beantwoorden.

1) In hoeverre kan de jongere afwijzing of consensus aangeven? Men is geneigd om het kleine kind elke mogelijkheid tot afwijzing of instemming te ontzeggen, omdat het immers niet of te weinig over verbale vermogens daartoe beschikt. Ook al lijkt dit argument zeer duidelijk, het is - zelfs als het over kinderen gaat - een misleidende stellingname. De pasgeborene geeft vanaf het eerste moment duidelijk tekenen van tevredenheid en ontevredenheid. Huilen, trappelen, krijsen, er bestaat een heel repertoire om honger, pijn of andere onlust kenbaar te maken. De mogelijkheid tot het kenbaar maken van instemming of afkeuring is bij de sprekende jongere vanzelfsprekend aanwezig. Mits er geen ernstige psychische tekorten bestaan, is er bij efebofiele contacten steeds consensus mogelijk.

2) In hoeverre kan de jongere overvraagd worden door verlangens van de oudere waar deze nog niet aan toe is of waarvoor deze nog niet de juiste mate van rijpheid heeft bereikt? Zou het bijvoorbeeld denkbaar zijn dat het tekort schieten om aan het verlangen van de volwassene te voldoen tot faalervaringen voert en daardoor tot minderwaardigheidsgevoelens of angst? Dat zou het geval kunnen zijn, wanneer aan de druk om het gewenste gedrag te vertonen door de oudere kracht wordt bijgezet door vergrote aandrang of zelfs dwang uit te oefenen. Maar wanneer de volwassene zich laat sturen door de tekenen van instemming of afkeuring van de jongere is het moeilijk voorstelbaar dat uit zo'n situatie op zichzelf schade voortkomt. Van schadelijkheid van seksueel gedrag bij het tegenwoordig veel voorkomende seksuele verkeer tussen jongeren op middelbare scholen is ook niets gebleken.

3) Zou er misschien sprake kunnen zijn van té vroege voorlichting? Er wordt dikwijls betoogd, dat schade zou kunnen ontstaan doordat het kind of de jongere op de hoogte wordt gebracht van zaken die nog niet voor zo'n jeugdig iemand geschikt zijn. Hij of zij is er nog niet aan toe, zo wordt vaak gesteld. Ook een soort ‘op gedachten brengen’ wordt daarbij gevreesd. Ik herinner mij een voorval in de jaren zestig met onze destijds nog vijf- of zesjarige oudste zoon. De nauwkeurige aanleiding ben ik vergeten, maar hij stelde mij in ieder geval een vraag in verband met de herkomst van kinderen. Het was de tijd dat de zogenaamde seksuele revolutie op gang kwam. Als psychiater en ‘moderne’ vader meende ik dat een goede en uitvoerige beantwoording van zijn vraag nodig was. Ik reageerde dan ook met een zeer uitgebreide uiteenzetting, niet alleen over de anatomische aspecten van coïtus, bevruchting, enzovoort, maar ook over de bij het seksuele gebeuren mogelijk optredende gevoelens en wat dies meer zij. Enige tijd lang volgde hij mijn uiteenzettingen met aandacht, hetgeen mij aanzette tot steeds verdere uitweidingen. Ik merkte niet dat ik in mijn ‘neurotische’ uiteenzettingsbehoefte ver voorbij zijn vraag en bedoelingen schoot. Dat werd mij pas duidelijk toen hij mijn woordenvloed onderbrak met de vraag: ‘Pappa, bak jij vanavond pannenkoeken?’ Aan grote delen van mijn kennisoverdracht was hij kennelijk nog niet toe. Hij had er althans geen spoor van belangstelling voor. Maar hij leed niet onder mijn verhalen en toonde geen tekenen van schade toen ik zijn behoeftegrenzen overschreed. Integendeel, er was slechts sprake van een gezonde eetlust.

Ik herinner mij nog hoe dezelfde zoon twaalf jaar werd. Er was in die tijd een fotoboekje verschenen bij de NVSH, waarin een Zweeds echtpaar stond, in alle standen. Het waren foto's die even pornovrij waren als de Venus van Milo. Dat boekje had ik voor hem gekocht. Terwijl mijn schoonouders op verjaarsvisite waren, overhandigde ik hem het werkje. Opa en oma vielen stil, maar gaven geen kritiek. Juist op dat moment kwam onze jongste zoon, toen nog acht jaar oud, de kamer binnen. De oudste had het boekje geopend op zijn schoot en bladerde het kunstwerk door. Ik dacht: ‘Wat nu? Hoe zal de jongste hierop reageren?’ Het antwoord kwam al gauw. Toen hij over zijn broertjes schouder mee keek en een nogal ingewikkeld standje zag, zei hij: ‘Potverdommie wat lijkt me dat moeilijk.’ Daarmee was voor dat moment voor hem de pret over deze circusacrobatiek voorbij.

De volwassene die zich bij intieme contacten richt op tekenen van belangstelling en behoefte(n) van de jongere zal deze ook psychisch niet forceren. Bij de juiste aandacht voor de jeugdige partner past de oudere zich aan de verlangens van het kind aan, zoals volwassen partners dat trouwens ook met elkaar (behoren te) doen. Het is mij volstrekt onduidelijk welke fysiek schadeloze lichamelijke handelingen, mits niet als onaangenaam ervaren, psychische schade zouden kunnen veroorzaken. Er lijkt een soort bijgeloof te bestaan, zoals dat vroeger bestond tegenover masturbatie. Daarvan kon men alle mogelijke ernstige en minder ernstige ziekten krijgen. Dat werd uiteraard nimmer aangetoond, maar het was desondanks lange tijd een ook door artsen vertelde mythe. ‘Seks met jongeren’, indien gericht op de verlangens en mogelijkheden, is naar mijn mening niet alleen onschadelijk, maar kan een belangrijke rol spelen bij het leerproces dat moet voeren tot een goede kwaliteit van het latere seksuele leven.

 Discussie binnen de NVSH

Van der Vorst zei in Nieuwsbrief 44 van de Landelijke Werkgroep JORis van de NVSH: ‘Kinderseks met grote mensen mag, grote-mensenseks met kinderen mag niet.’ Dat is zeker een goed standpunt. Dezelfde uitspraak kan men toepassen op ‘seks met jongeren’.

In onze hedendaagse maatschappij gaan wetgeving en openbare mening van een ander, overwegend afkeurend standpunt over seks van volwassenen met jongeren en kinderen uit. Volgens de wet wordt men op achttienjarige leeftijd meerderjarig, of, als men eerder trouwt, al jonger. Maar de seksuele meerderjarigheid is in ons land juridisch op zestien jaar gesteld. Recentelijk keurde de Nederlandse Kamercommissie van Justitie een ontwerp van maatregelen goed waarbij de seksuele meerderjarigheid van zestien naar veertien jaar zou worden gebracht. Een jongen of een meisje zou dan tussen veertien en zestien jaar seksuele betrekkingen mogen hebben, op voorwaarde echter dat de andere persoon niet meer dan vijf jaar ouder is. Zelfs wanneer de seksuele meerderjarigheid inderdaad op veertien jaar zou worden gesteld, dan zou dus een negentienjarige of oudere man bij seks met een puber nog strafbaar blijven. De ‘oudere volwassene’ blijkt in dit opzicht voortdurend als een potentieel gevaar te worden gezien. Zo'n oudere kan door machtsmisbruik een seksueel misbruiker worden. Zoals E. van Ree in 1997 in een bijdrage in het Nederlandse dagblad NRC-Handelsblad stelde: ‘Er lijkt iets merkwaardigs aan de hand met het verschijnsel ‘seksueel misbruik’, althans met het maatschappelijk gevoelen daarover. De afgelopen jaren (en na de affaire-Dutroux is er van een stroomversnelling sprake) lijkt er zich een bijna-consensus te vormen die weliswaar nooit expliciet wordt uitgesproken, doch die zich wel simpel laat formuleren: iedere seksuele relatie tussen twee mensen die zich in een structureel ongelijke machtspositie bevinden, staat gelijk aan misbruik. Deze stelling gaat dan op voor artsen en patiënten, sportcoaches en pupillen, pastores en parochianen, en last but not least natuurlijk: meerder- en minderjarigen. En de stelling heeft nog een vervolg, te weten dat seksueel misbruik ook automatisch misbruik van de ergste soort is.’ Daar waar men in media en publieke opinie ‘seks met jongeren en kinderen’ gelijkstelt met ‘seksueel misbruik’ is zijn commentaar ook voor het eerste begrip van kracht.

Het is alarmerend om te beseffen tot welke patstelling dit neovictorianisme voert. Immers in deze situatie zal de oudere die erotische gevoelens voor een kind koestert en daaraan seksuele vorm verlangt te geven, zulke verlangens moeten onderdrukken met mogelijk gevolgen als depressiviteit en angst, of stiekem uitvoering willen geven aan zijn of haar verlangens en daarmee tevens de wet overtreden. De veel voorkomende gevolgen van deze laatste keuze zijn overbekend. Afschuwelijke gevoelsconflicten voor de jongere partner wanneer juridische onderzoekingen en procedures volgen, mogelijke verstoting door leeftijdgenoten die zo'n ‘vieze zondaar’ mijden, schuldgevoelens en zelfveroordeling omdat men meewerkte aan iets wat kennelijk heel erg fout was, et cetera. Ik laat de gevolgen voor de volwassene waar het over de straftoewijzing gaat buiten beschouwing. Dat deze, onder dreiging van de vele negatieve reacties en in paniek geraakt, de jongere zwijgplicht opdringt of deze zelfs op een afschuwelijke manier kan afdwingen, is al evenzeer bekend. Op dit moment zijn zelfs gewelddadigheden vanuit de burgerij niet uit te sluiten. Wàt de man of vrouw die erotisch en seksueel, al dan niet bij voorkeur, op de jongere gericht is ook doet, de gevolgen zijn negatief. Zolang veroordeling van alle ‘seks met jongeren en kinderen’ de maatschappelijke leidraad blijft, bestaat er een patstelling. Als volwassenen de jongere op aangepaste wijze seksueel benaderen, zou dat opvoedkundig winst kunnen betekenen en kunnen helpen de ziekmakende taboes te doorbreken. Maar tegelijkertijd betekent het bestaan van de taboes dat zo'n benadering binnen de huidige maatschappelijke context potentieel schadelijk is. Niet doen betekent het kind een deel van zijn ontplooiing onthouden, wel doen berokkent het kind erna mogelijk veel leed. De vraag luidt dan ook: hoe nu verder?

In 1996/97 vond er een uitgebreide gedachtewisseling plaats in de Landelijke Werkgroep JORis van de NVSH. Een belangrijk thema was de mogelijke schade ten gevolge van pedofiele en/of efebofiele contacten. In Nieuwsbrief 45 schreef Gieles een belangrijke bijdrage over dit onderwerp. Aanleiding was het ontvangen van brieven waarin mannen uitspraken deden over seksuele contacten die zij jaren eerder, als jongeren, hadden aangegaan. Ze schreven onder meer dat ondanks vrijwilligheid van het contact en de correcte manier van handelen van de daarbij betrokken volwassene, bij hen daarover later negatieve gevoelens waren ontstaan. Daarbij viel op dat dit ook het geval kon zijn wanneer de ervaringen ten tijde van hun ontstaan minstens ten dele positief waren geweest. De schrijver analyseerde een serie door hem ontvangen brieven over de negatieve belevingen achteraf op overeenkomende punten. Hij vond er negen. Van die negen waren er drie die wezen op het achteraf ontstaan van schaamte en schuldgevoelens die met het heersende taboe zouden kunnen samenhangen en dat waarschijnlijk ook deden: ‘ik heb het gevoel dat er iets verkeerds gebeurde’, ‘ik schaamde mij zo en voelde mij schuldig’, ik kon er met niemand over praten, het geheim zat tussen mij en mijn ouders en vrienden in’. Een ander punt ging eigenlijk helemaal niet over iets specifieks betreffende pedo- of efebofiele problematiek: ‘het ging te snel, ik had dit liever zelf langzaamaan willen ontdekken’. Deze klacht heb ik in mijn psychiatrische praktijk ook diverse malen bij contacten tussen heteroseksuele volwassenen vernomen. Ook jonge vrouwen kunnen hun (eerste) mannelijke partner als te ongeduldig en overrompelend of dominant ervaren. De resterende klachten waren voornamelijk reacties zoals die na alle mogelijke - ook traumatische - situaties van in het geheel niet seksuele aard kunnen voorkomen: verlies aan spontaneïteit, verlies aan zelfvertrouwen, storende nachtelijke fantasieën, schoolproblemen en concentratiestoornissen, drugsgebruik, boosheid, et cetera. Een deel van deze klachten past ook bij depressieve toestanden. Anders gezegd: het ontstaan van de meeste van deze klachten lijkt helemaal niet specifiek voor de voorafgaande seksuele ervaringen en hoeft daar dan ook in die zin geen directe samenhang mee te hebben. De tussenschakel lijkt veel eerder te liggen in vanuit de omgeving voorafgaand en secundair aangedragen ‘zondebesef’ en schuldgevoel. Zoals Gieles zei ‘liggen de bronnen van deze belevingen natuurlijk niet alleen in het gebeurde zelf. Dat wordt geïnterpreteerd en wel achteraf. Het kader daarvoor wordt in de omgeving aangetroffen of van daaruit aangeboden’. Overigens is Gieles hier enigszins onduidelijk wanneer hij stelt dat de bron ook ‘het eigen innerlijk - ofwel de eigen opvoeding van de jongere is’. Daarbij vervolgt hij: ‘Hoe modern het gezin ook is, steevast en diep in onze hele cultuur verankerd zit de koppeling seks = vies er vastgenageld in.’ Dat betekent dat Gieles het ‘eigen’ innerlijk direct koppelt aan het door opvoeding en cultuur aangedragene, waarmee het deels niet eigen is.

Belangrijk zijn nu de in Nieuwsbrief 45 opgenomen vier criteria waaraan pedofiele relaties zouden moeten voldoen zoals Gieles die opsomt en die ik wat verkort weergeef:

  1. Regie: het kind moet altijd de regie in handen hebben over de eigen seksualiteit;

  2. Initiatief: initiatief tot seksualiteit moet steeds van het kind zelf uitgaan;

  3. Vrijheid: het kind moet zich er elk moment aan kunnen onttrekken, en

  4. Openheid: het kind mag niet met een geheim opgezadeld worden.

Het voert te ver om alle vier criteria te bespreken. Maar ik geef tot slot aandacht aan het vierde, dat van de openheid. De noodzaak ervan is overduidelijk. Maar, zoals Gieles zelf aangeeft: ‘bespreekbaarheid is nergens mogelijk. (¼ ) Ik constateer’, zo vervolgt de schrijver, ‘dat dit vierde criterium nu, in deze tijd en deze samenleving niet (meer) waar te maken is.’ En hij besluit: ‘Dit impliceert dat ik mijzelf seksuele contacten met jongeren niet toesta.’ Een uiterst gewetensvolle en te respecteren conclusie, gebaseerd op een reële analyse van de huidige werkelijkheid. Maar¼ deze conclusie betekent in feite het respecteren en handhaven van een ongewenst taboe!

Als het de (sub-)culturele context is die door het absurde taboe de seksuele opvoeding en daarmee ontwikkeling van het kind in de weg staat, dan is verdwijning daarvan nodig. Dat betekent dat men niet kan volstaan met louter abstinentie, maar dat men ook, zo mogelijk door voorlichting, publicatie en lezingen, dat taboe moet bestrijden, zoals trou-wens Gieles dat door zijn bijdrage ook doet. Voor díe pedofiele en efebofiele mensen die toch hun verlangens willen verwerkelijken, lijkt slechts verhuizen naar een andere cultuur, waar zo'n taboe niet of in ieder geval in veel mindere mate bestaat, mogelijk. Daarbij doel ik overigens niet op het periodiek gebruikmaken van kinderprostitutie in arme derde-wereldlanden. Dat is geen liefdevolle omgang met kinderen, maar seksuele uitbuiting.

Tenslotte ondersteun ik graag de kritiek van Gieles op veel hulpverleningsvormen, die in hun opvattingen en procedures aantonen in feite achter het taboe te staan. Hij verwoordt dit als volgt: "Hulpverleners’ vragen tegenwoordig standaard naar seksuele ervaringen. Zijn deze er in de jeugd, met een volwassene gedeeld, dan volgt standaard de ‘conclusie’ dat daarin dan de oorzaak ligt van al die ellende. Deze ‘oplossing’ wordt gaarne aanvaard, want nu hoeft men niet meer naar zichzelf te kijken, niet eens kritisch naar de ouders en de scholen te kijken en zelfs niet kritisch naar de samenleving als geheel, die zowel geweld als seks op massale schaal aanbiedt. Het probleem is nu aanzienlijk vereenvoudigd: de zondebok is gevonden. Aangifte doen ‘om het af te ronden’ is dan vervolgens de standaardoplossing. Daar komen dan, al bijna standaard, bij ‘Slachtofferhulp’ de schadeclaims achteraan¼"

Het is dus meer dan ooit geboden dat ook de hulpverleners waken tegen het verder opvoeren van de heksenjacht en zich beraden op de oorsprong van hun theoretische inzichten.

Start Omhoog