Start Omhoog

Henry W. Maier

Zorg weegt het zwaarst

Wat kinderen, thuis of uit huis geplaatst, zeker nodig hebben voor hun ontwikkeling

Jeugd & Samenleving, aug-sept 1983, themanummer 'De groepsleider'
Herdrukt in 
De groepsleider, Basisboek voor werkers in de residentiŰle hulpverlening, 
door Maurice van Lieshout en Maria Ruigewaard (Red.), 
Acco, Amersfoort/Leuven, 1987

Dit artikel verscheen oorspronkelijk in Child Care Querterly 8, Fall 1979, Human Sciences Press New York, onder de titel "The core of Care: Essential Ingredients for the Development of Children at Homa and Away from Home"

De vertaling is van de hand van Bas Onstenk, Frans Gieles en Maurice van Lieshout.

Dat kinderen zorg nodig hebben lijkt zo vanzelfsprekend, zo gewoon dat je er niet bij stil staat. Maar als kinderen in een tehuis komen te wonen en door beroepsopvoeders worden verzorgd, dreigen de gewone dingen ineens minder vanzelfsprekend te zijn. Vooral als er sprake is van behandeling in een tehuis dreigt het bijzondere het gewone te verdringen. 
Bovendien: wat is zorg eigenlijk? Wat houdt het in? Het is de moeite waard daarover verder na te denken aan de hand van het hier vertaalde artikel van Henry Maier. Naar onze mening zou ieder team van groepsleiders regelmatig stil moeten staan bij de vraag hoe het in hun groep zit met de zorg voor de kinderen. De zeven componenten die Maier noemt kunnen daarbij een leidraad zijn (de vertaler).

In dit artikel breng ik enkele recente onderzoeksresultaten op het gebied van de ontwikkelingspsychologie in verband met een aantal belangrijke facetten van de pedagogiek. Ik probeer twee vakgebieden, dat van de ontwikkeling en dat van de verzorging van het kind, met elkaar te verweven. Meestal worden deze twee gebieden in opleiding, onderzoek en in de praktijk los van elkaar beoefend; mensen van het ene vakgebied kennen die van het andere vaak niet. Grondige kennis van de ontwikkeling van het kind biedt ons echter basismateriaal voor de verzorging en opvoeding van kinderen. Aan de andere kant leveren de alledaagse verzorgingsactiviteiten waardevolle gegevens op voor de ontwikkelingspsychologie. 

Om u, lezer, persoonlijk in de hiernavolgende gedachten in te wijden; stop eens even en haal u een gebeurtenis voor de geest waarbij u zelf verzorging ontving. Dat kan een moment zijn in uw leven, waarin u het gevoel had als enige ter wereld op dat moment belangrijk te zijn. 

Overzien we de herinneringen aan momenten van persoonlijke verzorging, dan springen de volgende kenmerken in het oog:

een gevoel van lichamelijk welbevinden;

de zekerheid dat, welke vorm van zorg zorg wij ook meemaakten, die zorg ook door zou gaan na dat ene moment; en

hoogstwaarschijnlijk een gevoel van verbondenheid met een vertrouwde en nabije verzorger.

Kortom, er bestond op dat moment een gevoel een bijzonder iemand te zijn, die de moeite waard is om je druk over te maken en voor te zorgen. Dit zijn de "stille momenten van 's-mensen glorie, mijn waarde Camelot' (uit: Het lied van koning Arthur: 'Camelot'). 

Deze persoonlijke ervaringen met verzorgd worden geven al iets weer van de belangrijkste componenten waaruit de zorg is samengesteld. De componenten lijken heel vanzelfsprekend, maar ze blijken subtieler en ingewikkelder te zijn als we proberen ze waar te maken in de dagelijkse zorg voor kinderen en adolescenten, of ze nu thuis of in een tehuis wonen. De beschouwingen in dit artikel zijn van toepassing op ons werk met kinderen van alle leeftijden, of ze die zorg nu ontvangen in hun eigen gezin, hun pleeggezin, in dagopvang of opvangtehuis, in hun leefgroephuis of in een behandelingstehuis. 

Ik wil zeven componenten van het begrip "zorg" bespreken. Iedere component is geworteld in een reeds lang bestaande opvoedingspraktijk. Resultaten van recent onderzoek naar de ontwikkeling van kinderen laten zien wat de betekenis van deze componenten voor de opvoeding is. 

Ik heb geprobeerd met behulp van onze huidige kennis over de ontwikkeling van kinderen het juiste mengsel te bereiden dat de naam "zorg" verdient. Iedere component wordt apart besproken als een facet van het begrip "zorg", maar moet altijd in samenhang met de zes andere componenten bekeken en in praktijk gebracht worden. Tezamen vormen deze zeven componenten de kern van wat wij "zorg" noemen.

Component 1: lichamelijk welzijn

Je lichamelijk lekker voelen is, net als aandacht voor het lichaam, van fundamenteel belang voor persoonlijke zorg. De eerste component bevat activiteiten die we meestal als vanzelfsprekend ervaren. Deze activiteiten zijn echter van vitaal belang. Denk eens aan het rechttrekken van de lakens van het kinderbed waardoor het fijner kan inslapen. Of aan een situatie waarin je met een kind op de vloer gaat zitten om hem of haar de mogelijkheid te geven ontspannen te zitten op een goede ooghoogte. 

We kunnen stellen dat een kind zich met zorg omringd voelt als we voldoen aan de behoefte aan lichamelijk welzijn. In het algemeen voelen wij ons goed en verzorgd, als het met ons lichaam in orde is en wij vrij zijn van lichamelijke spanningen. Wie zich lichamelijk goed voelt, staat meer open voor en is nieuwsgieriger naar ervaringen die uitgaan boven de directe eisen die het lichaam stelt. Goed eten en lichamelijk welbevinden zijn van vitaal belang en vormen samen een maatstaf voor een goede verzorging. 

Het gevoel van lichamelijk welzijn wordt versterkt door de betrokkenheid van een ander mens. Het is deze persoonlijke betrokkenheid, het feit dat je er energie in steekt, die maakt dat lichamelijke verzorging verandert in het echt zorgen voor iemand. We wiegen een baby om hem een gevoel van lichamelijk welzijn te geven. Nieuwkomers thuis, op kantoor of in gezelschap hebben iemands persoonlijke aanwezigheid nodig om een gevoel van lichamelijk welkom en welzijn te ervaren. Dit geldt ook in het leven van alledag. Zo kan bijvoorbeeld een vriendelijke houding van de buschauffeur de binnenkomst door de automatisch opengaande deur gemakkelijk en aangenaam maken. 

Als ik in de hulpverleningspraktijk wil uitdrukken dat een kind welkom is, dan zullen mijn woorden of glimlach waarschijnlijk minder belangrijk zijn dan het lichamelijk welkom: een knik, een aanraking en de gemakkelijke stoel die ik klaarzet. Het omgekeerde (de weigering om te verwelkomen) wordt, zoals we weten, gemakkelijk bereikt door de ontzegging of beperking van "lichamelijke rechten". Denk aan de onderzoeken naar gevangenissen of concentratiekampen waar langdurige perioden van staan, zitten en slapen in ongemakkelijke omstandigheden of volgepakte ruimten, de gevangenen snel doen beseffen dat zij niet welkom, niet van waarde en ge´soleerd zijn (Freedman 1975, Helmreich 1967, Radloff & Helmreich 1968).

Aandacht voor het lichaam en zijn omgeving

 De aandacht voor het lichamelijk welzijn is ook uit te drukken in de wijze waarop wij met iemands persoonlijke ruimte omgaan, als hij er is en als hij er niet is (Bakker 1973). In het dagelijks leven hebben huisdieren hun eigen plekjes die terecht worden gerespecteerd. Hebben onze kinderen en adolescenten ook de kans om een territorium af te bakenen dat echt van hen is? Dat is zeker van belang voor de ruimte waarin zij dagelijks leven en dat geldt ook voor de plek waar zij hun persoonlijke bezittingen hebben, waar zij zich kunnen terugtrekken, tot rust kunnen komen en waar zij slapen. Zo'n privÚ-ruimte moet voor hen "tolvrij" zijn. Met andere woorden: deze privÚ-ruimte is van hen, ongeacht of hun gedrag aanvaardbaar is of niet. Zowel op fijne als op moeilijke momenten hebben jonge mensen de behoefte om het bestaan van dit recht bevestigd te zien. Ik herinner mij de situatie waarin een kind zich gekrenkt voelde omdat iemand anders op zijn lievelingsstoel ging zitten, ondanks het feit dat er nog stoelen leeg waren die voor de toevallige toeschouwer even goed leken. 

Onderzoeken naar het gebruik van de ruimte bij mens en dier wekken sterk de indruk dat schending van de eigen leefruimte net zozeer als een ernstige inbreuk wordt gevoeld als een directe aanval op het eigen lichaam (Bakker 1973, Freedman 1975). Robert Frost drukte het zo uit in een gedicht: "Goede hekken, goede buren". Deze uitspraak is ook van toepassing op kinderen. Ook zij willen hun territorium erkend en gerespecteerd zien. 

Het is trouwens opvallend dat kinderen bij een verhuizing van een vertrouwde plek naar een onbekende (bijvoorbeeld van thuis naar een tehuis of omgekeerd, dat wil zeggen van een bekend territorium naar een onbekend) hulp nodig hebben om zich de onbekende omgeving eigen te maken. Sommige spullen die altijd meeverhuizen, zoals een lievelingsdeken, een kussen, knuffeldier, speelgoed, foto of kettinkje, dienen als middel om een vreemde plek een eigen plek te laten worden. (Winnicott 1965). 

Het hoort bij de manier waarop we werken dat de hulpverlener ook een functie heeft bij het "verhuizen": iemand die de overgang van de ene leefsituatie naar de andere mogelijk maakt. Onze cliŰnten hebben hulp nodig bij de binnenkomst in, het vertrouwd raken met, en de verdere ontplooiing in hun nieuwe omgeving. Daarom moeten we er op letten dat bij opname in een ziekenhuis, een inrichting of een dagverblijf, van geen enkel kind zijn lievelingsspulletjes worden ingenomen. Voortzetting van het contact met de persoon die het kind het laatst verzorgde, helpt het kind niet alleen over de drempel, maar is voor hem of haar ook daarna als "verhuishulp" erg belangrijk.

Component 2: voor ieder kind een eigen benadering

Omdat mensen van elkaar verschillen gaan we ook met ieder mens anders om. Een aantal recente en boeiende onderzoeksresultaten over de levensloop van kinderen maken het aannemelijk dat kinderen vanaf de geboorte aanzienlijk verschillen in temperament. Deze verschillen leiden tot duidelijk verschillende patronen in de omgang met de verzorgers en bij de verzorgers zelf (Escalona 1968, Thomas, Chess & Birch 1968, Thomas & Chess 1977). Door deze onderzoeken worden vraagtekens gezet bij de pogingen om te komen tot gestandaardiseerde verwachtingen omtrent het gedrag en het "consequent" behandelen van kinderen in groepsverband. Ik beweer dus dat het essentieel is voor de verzorgers om verschillend te reageren op verschillende kinderen; zelfs als hun gedrag op elkaar lijkt. "Consequent" handelen, in de zin van iedereen hetzelfde behandelen, is geen deugd maar een onaanvaardbare en onwenselijke eigenschap. Het afstemmen van onze reacties op het individuele kind is veel effectiever en natuurlijker en is beslist geen gebrek aan vakmanschap. 

Als kinderen verschillen in temperament, dan is het logisch dat ze ook verschillende levenservaringen opdoen met hun verzorgers (Brazelton 1977, Lewis 1974). Juister gezegd: kinderen en verzorgende volwassenen vormen een eenheid en brengen samen hun manier van omgang tot stand. Erg belangrijk vind ik wat Thomas en Chess (1977) stellen: dat de manier waarop kinderen met ouderen omgaan hoogstwaarschijnlijk eerder varieert op grond van hun aangeboren temperament dan op grond van de verschillen in hun levensgeschiedenis, hun sekse en de sociale klasse waartoe zij behoren. 

Er zijn kinderen die snel kunnen opnemen wat er in hun buurt gebeurt. Zij lijken op levende radars. Hoewel zij overkomen als tamelijk inactief, hebben zij in werkelijkheid zeer actieve "antennes". Zij kunnen lange tijd bezig zijn met hun "input" terwijl ze ruimtelijk afstand houden van wat er op dat moment in hun buurt gebeurt. Zij kunnen zo heel goed verbanden leggen tussen wat zij zien gebeuren. 

Daarentegen zien we dat andere kinderen een voortdurend contact nodig hebben om zich bij hun omgeving betrokken te voelen; ze moeten de gebeurtenissen als het ware lichamelijk voelen. Deze kinderen hebben de neiging om in korte tijd van alles en nog wat mee te maken. Zij rollen van het een in het ander. Het zijn de prikkelgevoelige kinderen. Deze beweeglijke kinderen zijn geneigd om onmiddellijk in te gaan op alles wat er binnen hun bereik gebeurt. Bijna elke prikkel wordt voor hen een sein tot actie. Hun eigen activiteiten brengen hen voortdurend tot nieuwe ervaringen. 

Toen deze beweeglijke kinderen samen met hun verzorgers werden geobserveerd (Escalona 1968, Thomas, Chess & Birch 1968, Schaffer & Emerson 1964), werd een bijzonder proces waargenomen. De verzorgers hebben spontaan de neiging om de input bij de kinderen te kanaliseren en te begrenzen. Een voorbeeld: tijdens het voorlezen van een verhaal leest de verzorgerster op een aandachtstimulerende wijze, terwijl zij haar arm om het kind houdt om zich lichamelijke activiteiten te beperken. 

De eerder genoemde onderzoeken van Escalona, alsook die van Thomas en zijn medewerkers hebben ons geleerd dat het vooral het temperament van het kind is dat, in interactie met zijn omgeving, de manier van omgang bepaalt, terwijl het de cultuur van de verzorgers is die de stijl van omgang aangeeft. De verzorger maakt bijvoorbeeld de keuze of hij het kind bij de kraan of in het bad wast, en of het met koud of warm water gebeurt, maar de aard van de omgang wordt gezamenlijk gevonden. Misschien weet de lezer uit zijn eigen ervaringen dat men tijdens het contact met baby's die prikkelgevoelig zijn, ertoe neigt om hen minder speeltjes voor te houden omdat elk nieuw speeltje de aandacht voor het vorige verloren doet gaan. De beweeglijke kinderen hebben ook de neiging door hun activiteiten de verzorgende volwassene bij zich in de buurt te houden. Voortdurend zijn ze met hen bezig. 

Nu de grote groep kinderen die op een andere wijze actief is, de "levende radars". Zij neigen ertoe om aan ÚÚn situatie hun aandacht te geven en bewust afstand te houden van andere situaties. De verzorger op zijn beurt verschaft hen een eigen lichaamsruimte als een bufferzone tussen kind en volwassene. Gelijktijdig onderkent de verzorger de noodzaak om het kind extra te stimuleren tot activiteit. In de kleuterperiode liggen in de bedjes van deze kinderen allerlei voorwerpen. Tijdens het eten, baden en andere dagelijkse handelingen probeert de verzorger het kind op verschillende wijzen te activeren, om door middel van praten, aanraken en het tonen van voorwerpen een vorm van samen bezig zijn te creŰren (Escalona 1968). 

Beweeglijke kinderen en 'levende radars'

 

In kindertehuizen kunnen we ditzelfde onderscheid en de afstemming op de verschillen in temperament ook waarnemen. Sommige kinderen komen op de eettafel afgestormd. Zij grijpen naar het eten terwijl ze vragen: "Wat eten we?" Het voor de hand liggende antwoord van de volwassene zal erop gericht zijn om hen ÚÚn ding tegelijk te laten doen: "Ga eerst eens zitten!", "Ga nou zitten!", "GA ZITTEN!", terwijl dit door een lichte lichamelijke sturing kan worden begeleid. 

Heel anders gaat het met de "levende radars": we zien ze de eettafel naderen waarbij ze eerst het geheel overzien en vervolgens, terwijl ze nog op enige afstand staan, hebben de dingen stuk voor stuk hun aandacht. Zo'n kind roept dan bijvoorbeeld: "Zij heeft mijn kopje". In de spontane reactie van de volwassene worden verschillende alternatieven aangeboden die ertoe moeten leiden het kind bij het eten te betrekken: "Kom toch zitten", "Hier staat precies zo'n kopje", "Kijk, je soep staat hier", "Hier is nog een stoel voor je vrij, ga maar zitten!" Het gebruik van deze stimulansen gebeurt op afstand, waarbij de ogen, de woorden en de gebaren van de verzorger gebruikt worden als "enterhaken". 

Uit onderzoek over de levensloop van kinderen weten we dat zowel de "levende radars", de kinderen die een groot gebied tegelijk kunnen overzien, als hun tegenpolen, de beweeglijke kinderen, zich goed ontwikkelen. Het lijkt erop dat het kind en de verzorgers elkaar wel vinden en van elkaar leren om op de juiste manier met elkaar om te gaan. Uit deze onderzoeken leren we dat de dagelijkse verzorging een bezigheid is die je niet zomaar aan een ander kunt overdragen en die je niet kunt ontwikkelen vanuit handboeken of huisregels. Verzorging is veel meer een gezamenlijk proces dat tijd en ervaring vergt en voor bepaalde kinderen ook training. Dit maakt het mogelijk scherper te onderscheiden welke kinderen behoefte hebben aan direct lichamelijke aanraking als een uitdrukking van een hecht en persoonlijk contact, en met welke kinderen we een "hechter" persoonlijk  contact beter op enige afstand kunnen bereiken; door bijvoorbeeld meer met oogcontact dan met direct lichamelijk contact te werken.

Wat betekent dit voor de zorg voor kinderen? Het geeft aan dat het voor het geven en ontvangen van zorg een vereiste is dat men regelmatig en onafgebroken over langere tijd samen is om bij elkaar te gaan passen. Dit betekent niet dat ouders altijd thuis zouden moeten zijn of dat steeds dezelfde beroepsopvoeders, aan wie de zorg voor kinderen is toevertrouwd, continu aanwezig zouden moeten zijn. We weten dat kinderen van werkende ouders het even goed doen als die van niet-werkende ouders. Althans als die ouders in beide situaties zich relatief vrij voelen om zich ten volle met de kinderen bezig te houden op die momenten dat ouders en kinderen wel samen zijn (Robinson e.a 1976). Voor tehuizen betekent het dat het van groot belang is een en ander zo te organiseren dat het voor degene die de directe zorg heeft mogelijk is om, als hij of zij bij de kinderen is, er ook volledig en als persoon voor hen te zijn.

Component 3: ritmisch contact

Ritmiek is een wezenlijk kenmerk van alle menselijke ontwikkeling. De onderlinge afstemming van kinderen en verzorgers blijkt hierin een belangrijk element te zijn. Op de een of andere manier moeten ze hun gezamenlijk ritme zien te vinden (Brazelton 1977, Byers 1972, Condon 1975, Lewis 1974, Maier 1978a, Schaffer 1977). Recentelijk onderzoek suggereert dat basiseenheden van ritmische interactie in het menselijk contact de "moleculen van het menselijk gedrag" zijn (Byers 1972, London 1975). Deze "moleculen" hebben een koppeling nodig: een overeenstemming van het innerlijk ritme van ieder mens met dat van zijn omgeving. Het is dit subtiele ritme in het contact dat de kwaliteit en mogelijk ook de richting van de omgang tussen mensen bepaalt.

Ritmische ervaringen, zoals het spelen met een rammelaar, het steeds maar door je haren of je baard strijken en het schudden van handen, zijn allemaal onmiskenbare ervaringen bij het zoeken naar continu´teit. Niet alleen van veel babyspeelgoed is ritmiek een kenmerkende eigenschap. Dat geldt ook voor ervaringen in het verdere leven waarbij sprake is van een gevoel van "echt samen zijn", zoals het zingen en dansen in een groep, spelletjes doen en seksuele activiteiten.

Rituelen zijn een sociale tegenhanger van de innerlijke ritmiek. Het zijn pijlers waarop de cultuur rust. Mensen ervaren een intens gevoel van samenzijn bij deze rituelen. In het werken met kinderen zijn rituelen erg belangrijk. Hiermee bedoel ik die rituelen die echt een betekenis hebben voor het kind en niet de routinematige handelingen die rituelen noch oefeningen zijn maar die uitsluitend dienen voor een regelmatige dagelijkse gang van zaken.

Wat voor functie heeft ritmiek eigenlijk? Ritmische activiteiten schijnen het individu een gevoel van zekerheid te geven door het herhalen van ervaringen en door de continu´teit van deze herhalingen. Ritmische actie houdt de ervaring in van herhaling met het vooruitzicht op verdere herhaling en dus de mogelijkheid van voorspelbaarheid (Maier 1978b, hoofdstuk 1).

Als mensen bij elkaar zijn, proberen zij in hun bewegingen gezamenlijke ritmen te bereiken, wanneer ze elkaar toeknikken, tijdens het wandelen, het lachen of zelfs bij het samen huilen. Ze creŰren een soort gezamenlijk ritme. In dat verband spreek ik de veronderstelling uit dat ritmiek in het spel een van de belangrijkste kenmerken is die het tot een onmisbare levenservaring maken. Let bijvoorbeeld eens op de ritmische component in het balspel, bij tafeltennis en bij het krijgertje spelen. Deze spelervaringen scheppen de mogelijkheid om ritmische contacten aan te gaan.

Hoe kunnen we deze gedachten over ritmiek toepassen op het geven van zorg? Ik denk dat het van groot belang is dat kinderen ruime mogelijkheden hebben om zowel in hun eigen activiteiten als in hun omgang met de verzorgers ritmiek te ervaren. Wie kinderen waarneemt in een spel vol herhalingen, bijvoorbeeld in ritmische spelletjes zoals het "doelloos" stuiteren met of heen en weer gooien van een bal, het ritmisch tikken op een tafel, het achter elkaar aan jagen of stoeien, die moet erkennen dat dat bepaald geen tijdverspilling is. Bovendien, als de verzorgers tijdens hun werk deelnemen aan het gezamenlijk ritme, dan hebben zij de mogelijkheid enige tijd een harmonische eenheid te vormen met kinderen. Kinderen en volwassenen delen zo de ervaring dat ze samen een stap verder komen.

Component 4: het element van voorspelbaarheid

Het vermogen om te voorspellen is een maatstaf voor het weten en een belangrijk bestanddeel voor het leren. Met andere woorden: weten wat er in de onmiddellijke toekomst zal gebeuren geeft een gevoel van overzicht, kracht en invloed. Het is een belangrijke doorbraak voor een kind te ontdekken dat het de gevolgen van zijn daden kan voorspellen. Het kan dingen laten gebeuren.

In de beroepsmatige zorg voor kinderen dient het werk steeds zo georganiseerd te worden dat de kinderen de betekenis van hun eigen activiteiten duidelijk kunnen ervaren en hiervan kunnen genieten. Voor de verzorger is het daarom van belang het kind te laten zien wat het effect van het gedrag is, in plaats van het af of goed te keuren. Het is te vergelijken met een situatie waarin een verzorger tegen een kind, dat net een geslaagde koprol heeft gemaakt voor een bezoeker, zegt: "Ik heb goed gekeken hoe je dat deed en het lukte je echt goed".

 We hebben nogal eens de neiging om tegenover jonge kinderen erg gemakkelijk onze instemming met het gedrag uit te spreken als ze iets kunnen. Bij oudere kinderen doen we dit minder gemakkelijk. We zijn bij deze leeftijdsgroep sneller geneigd om ons minder direct bezig te houden met wat ze zoal doen en ontdekken: we beperken ons toch eerder tot reguleren en beoordelen. Bij oudere kinderen is het echter van net zo'n groot belang om voortdurend betrokken te zijn bij wat ze ondernemen en onder de knie proberen te krijgen. Zo heeft bijvoorbeeld een jongere eerder behoefte aan de erkenning van een nieuw verworven vaardigheid dan aan commentaar in termen van "goed" of "flink hoor!" Kinderen hebben feedback nodig bij de vergroting van hun vaardigheden in plaats van de zoveelste toetsing aan de normen van de volwassenen.

Component 5: aanhankelijkheid en vertrouwen

Een gevoel van voorspelbaarheid is vaak een voorbode van vertrouwen (Maier 1978b). Het besef dat je iets kunt voorspellen geeft ons een gevoel van zekerheid. En een gevoel van zekerheid geeft ons een gevoel van vertrouwen. Zodra kinderen erachter komen dat ze hun ervaringen met anderen kunnen gaan voorspellen, zullen ze zich afhankelijker durven opstellen. Bovendien zijn deze ervaringen op zichzelf erg belangrijk. Het kunnen vertrouwen op iemand is een goed gevoel. Het geeft aan het kind de zekerheid dat het niet alleen is en dat het kan vertrouwen op hulp. Het gevoel van vertrouwen leidt tot verbondenheid en verbondenheid met anderen is eveneens een goed gevoel (Brazelton e.a. 1994, Bronfenbrenner 1977, Maier 1977). De verzorger wil op zijn beurt ook vertrouwd worden. Aanhankelijk zijn is een goed gevoel voor beiden.

Ervaringen van afhankelijkheid basis voor onafhankelijk functioneren

Aanhankelijkheid is dus natuurlijk en wenselijk, en van fundamenteel belang voor de zorg voor kinderen. De voortdurende en hoogstpersoonlijke betrokkenheid bij de verzorging kweekt een zodanige aanhankelijkheid en leidt naar een punt dat kind en volwassene veel om elkaar geven. Per slot van rekening: kleine mensen hebben grote mensen nodig en grote mensen hebben ook behoefte aan anderen, zowel groten als kleinen. In de woorden van Bronfenbrenner: "Ieder kind heeft tenminste ÚÚn iemand nodig die werkelijk gek op hem of haar is" (Bronfenbrenner 1977). Als een kind voelt dat iemand werkelijk in hem of haar gelooft, dan heeft het over zichzelf ook een goed gevoel en zo mogelijk ook over andere mensen. Zodra iemand ervaart in zekere mate afhankelijk te zijn van een ander, dan kan hij of zij, vreemd genoeg, meer onafhankelijk functioneren als er de zekerheid van wederzijdse verbondenheid bestaat. En de onafhankelijkheid wordt zelfs groter naarmate men zich zekerder voelt van de wederzijdse verbondenheid (Maier 1977). Een zekere afhankelijkheid brengt uiteindelijk onafhankelijkheid voort en vergroot de mogelijkheid om zich in vrijheid met andere mensen verbonden te voelen (Maier 1977). Recent onderzoek over de ontwikkeling van hechting tussen ouder en kind heeft ons ervan bewust gemaakt dat een tekort in het ervaren van afhankelijkheid een grotere schade in de ontwikkeling van het kind teweeg brengt dat een te lang voortgezette afhankelijkheid (Brunner 1970, Maier 1977, National 1968).

Component 6: persoonlijke gedragsbe´nvloeding

 Sociale vaardigheid vindt zijn basis in persoonlijke verbondenheid. De lezer is het misschien opgevallen dat ik tot nu toe niet heb gewezen op het handhaven van discipline, noch op de training tot zelfstandigheid en het aanleren van goede manieren. De lezer vraagt zich wellicht af of de schrijver zich er eigenlijk wel iets aan gelegen laat liggen hoe kinderen zich gedragen (dat doe ik zeker, en wel zoveel dat ik ervoor pleit dat de training van het gedrag ook zo goed mogelijk gebeurt).

Kinderen leren het snelst van degenen die grote betekenis voor hen hebben. Zij richten zich tot de personen die zij hebben ervaren als degenen op wie men aan kan, en dat zijn de mensen die door de kinderen worden gezien als personen die aan hun kant staan (Bronfenbrenner 1970, Kessen 1975, Schaffer 1977). Kinderen volgen naar alle waarschijnlijkheid die personen aan wie zij zich, door de wijze waarop de dingen in het leven tegemoet worden getreden, het meest verwant voelen. Degenen die voor het kind de meeste betekenis hebben en die het dichtst staan bij de eigen situatie hebben de beste kansen om het gedrag te be´nvloeden. (Naast de primaire verzorgers zijn het heel vaak de iets oudere broers en zusjes, de leeftijdgenoten of de helden in verhalen en van de televisie die voor hen modellen en idolen zijn; ze zijn iets verder in hun ontwikkeling dan het kind zelf. Ze kunnen bijna even belangrijk zijn als de eigenlijke verzorgers).

Aandacht voor sociale vaardigheden heb ik met opzet achteraan in de rij van de zeven componenten opgevoerd. De sterkste gedragsbe´nvloeding gaat hand in hand met een grote wederzijdse nabijheid en verbondenheid. Het zich werkelijk eigen maken van gedragsnormen is een gevolg van aanhankelijkheid en vertrouwen. Een effectieve gedragsbe´nvloeding van het kind kan pas echt beginnen als het kind en de volwassene een goede relatie hebben; dan pas kunnen ook de meer gecompliceerde pogingen tot socialisatie plaatsvinden. We moeten wel in de gaten houden dat zowel het kind als de verzorger zich uiteindelijk vanuit hun wederzijdse verbondenheid moeten gaan verbinden met andere leefsferen, waar kinderen steeds onafhankelijker van hun verzorgers worden en waar zij  nieuwe verbindingen aangaan (Maier 1977). In kindertehuizen is het van groot belang dat de kinderen voortdurend zijn betrokken bij de grote gemeenschap waartoe zij behoren, evenals bij de eigen familie, het toekomstig pleeggezin of gezinshuis.

Kinderen moeten de zorg voor hen ook echt ervaren; "zorg" dient de vorm aan te nemen van zinvolle activiteiten. De vorm zal dus steeds veranderen in de loop van hun ontwikkeling. Omdat zij verbonden zijn met hun verzorgers zullen kinderen periodes kennen waarin zij emotioneel afhankelijk van hen worden en verbondenheid is zowel fundamenteel noodzakelijk als bevrijdend. Met andere woorden: het bevorderen van zelfstandigheid en de verrijking van het gedragsrepertoire van kinderen zijn wezenlijk verbonden met het tot stand brengen van hechte relaties met de verzorgers.

Bevorderen van de zelfstandigheid van de kinderen

 

Component 7: zorg voor de verzorgers

De laatste component, zorg voor de verzorgers, is een voorwaarde tot het in het praktijk kunnen brengen van de voorafgaande zes. Zorg kan slechts worden gegeven in de mate waarin de verzorgers zelf hiervoor zijn toegerust en in staat zijn op deze manier met de kinderen om te gaan. Dit houdt in dat de verzorgers zelf ook zorg en steun moeten ervaren om deze zorg weer aan anderen te kunnen geven.

Verzorgers kunnen beter optreden als leveranciers van zorg al naar gelang de zorg die zijzelf ontvangen. Worden zij in de rol van verzorgers bij hun activiteiten ondersteund door de mensen die henzelf verzorgen, de groep waartoe zij behoren en door de grotere sociale verbanden waarop zij zijn aangewezen? Zijn verzorgers verzekerd van zorg voor hun lichaam en voldoende privacy in tijd en ruimte, en kunnen zij rekenen op steun van anderen  als het geven van zorg moeilijk wordt? Hebben zij gemakkelijk toegang tot de hulpbronnen om te kunnen doen wat ze moeten doen? Kort gezegd: is het verzorgen wel goed verzorgd?

Tot slot

Mijn boodschap kan ik in zijn essentie waarschijnlijk het beste samenvatten met de begroeting die je tegenwoordig zo vaak hoort bij jonge volwassenen. Bij het afscheid nemen gebruiken zij twee eenvoudige maar krachtige woorden: Take care! Deze uitdrukking lijkt een waarheid uit de praktijk van alle dag te bevatten: echte zorg hangt grotendeels af van de wederkerigheid van ontvangen en gegeven zorg. Ieder van ons, volwassenen en kinderen, heeft dit voortreffelijke mengsel van bevestiging nodig.

Literatuur

Bakker, C.B. & Bakker-Rabdau, M.K: No trespassing. San Francisco, Chandler and Sharp, 1973

Brazelton, T.B: "Effects of maternal expectations on early infant behavior" in: S. Cohen & T.J. Comoskey (red). Child Development. Itasco, Peacock, 1977, pag. 44-52.

Brazelton, T.B. e.a: "The origins of reciprocity: the early mother-infant interaction" in: M. Lewis & L.A. Rosenblum (red): The effects of the infant on its caregiver. New York, Wiley, 1974.

Brofenbrenner, U: "The fracturing of the American Family" in: Washington University Daily 5 oktober 1977, pag. 5.

Bronfenbrenner, U: Two worlds of childhood. New York, Russel Sage Foundation, 1970.

Brunner, J.S: Poverty and Childhood. Detroit, Merrill Palmer, 1970.

Byers, P: From biological rhythm to cultural pattern: A study of minimal units. New York, Columbia University, 1972 (ongepubliceerde doctoraalscriptie).

Condon, W: "Speech makes babies move" in: R. Lewin (Red): Child alive. New York, Doubleday, 1975.

Escalona, S.K: The roots of individuality. Chicago, Adline, 1968.

Freedmann, J.L: Crowding and behavior. New York, Viking Press, 1975.

Helmreich, R.I & B.E. Collin: "Situational determinants of affiliative reference under stress" in: Jounal of personality and social psychology 1967, nr. 6, pag. 79-85.

Kessen, W. (Red): Childhood in China. New haven, Yale University Press, 1975.

Lewis, M. & L.A. Rosenblum (Red): The effects of the infant on its caregiver. New York, Wiley, 1974.

Maier, H.W: Dependence and independence development throughout the human life cycle: Implications for the helping professions. Seattle, University of Washington, 1979.

Maier, H.W.: "Piagetian priciples applied to the beginning phase in professional helping" in: R. Weizmann e.a. (red): Piagetian theory and the helping professions. Los Angelas, University of Southern California Press, 1978 (a), Pag. 1-13.

National Institut of Child Health and Human Development: Perspectives on human deprivation: Biological, Psychological and sociological. Washington, National Institute (...), 1968.

Radloff, R & R.L. Helmreich: Group under stress: Psychological research in selab II. New York, Appelton, Century, Crofts, 1968.

Robinson, H.B .e.a.: Early child care in the United States of America. new York, Gordon and Breach, 1976.

Schaffer, H.R: Mothering. Cambridge, Harvard University Press, 1977.

Schaffer, H.R. & P.E. Emerson: "The development of social attachments in infancy" in: Monographics of social research in child development 29 (94), 1964.

Thomas, A & S. Chess: Temperament and development. New York, Brunner/Mazel, 1977.

Thomas, S: Temperament and behavior disorders in children. New York, New York University Press, 1968.

Thomas, A, S. Chess & H.G. Birch e.a: Behavior individuality in early childhood. New York University Press, 1964.

Winnicott, D.W: The family and individual development. London, Travistock Publications, 1965. 

Start Omhoog